Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-02-19
ECLI:NL:CRVB:2026:162
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,036 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:162 text/xml public 2026-03-25T13:59:51 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-02-19 25/46 WSF Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl RSV 2026/36 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:162 text/html public 2026-02-23T10:59:26 2026-02-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:162 Centrale Raad van Beroep , 19-02-2026 / 25/46 WSF Afwijzing aanvraag om studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 voor de deeltijdopleiding rechtsgeleerdheid op de grond dat appellant als student niet is ingeschreven voor een voltijdse opleiding. Terecht geoordeeld dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest dat uitsluitend voor voltijdse opleidingen recht op studiefinanciering bestaat. De stelling van appellant dat hij als voltijdstudent moet worden beschouwd dan wel dat de deeltijdstudie materieel gezien gelijk staat aan de voltijdse studie rechtsgeleerdheid doet hier niet aan af. Hoewel appellant feitelijk (deels) hetzelfde doet als een voltijdstudent en het hem is gelukt om zestig studiepunten in het eerste jaar te halen, maakt dit niet dat de minister niet van de inschrijving mocht uitgaan. Geen aanleiding om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van het bepaalde in de artikelen 1.1 en 2.8 van de Wsf 2000. Datum uitspraak: 19 februari 2026 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/46 WSF Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 december 2024, 24/4608 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om de vraag of de minister aan appellant studiefinanciering moet toekennen voor de deeltijdopleiding rechten. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 januari 2026. Appellant is verschenen. Voor de minister heeft mr. G.J.M. Naber via beeldbellen aan de zitting deelgenomen. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellant heeft op 16 november 2023 studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 aangevraagd voor zijn deeltijdopleiding rechtsgeleerdheid aan de [naam universiteit]. 1.2. Met een besluit van 16 januari 2024 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen omdat appellant als student niet is ingeschreven voor een voltijdse opleiding. 1.3. Met een besluit van 27 maart 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 januari 2024 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat uit artikel 2.8, eerste lid, van de Wsf 2000 volgt dat een ho-student in aanmerking kan komen voor studiefinanciering als hij is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een universiteit of hogeschool. In artikel 1.1 van de Wsf 2000 staat dat een voltijdse opleiding een opleiding in de zin van de WHW is, met uitzondering van deeltijds onderwijs. Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest dat uitsluitend voor voltijdse opleidingen recht op studiefinanciering bestaat. De stelling van appellant dat hij als voltijdstudent moet worden beschouwd dan wel dat de deeltijdstudie materieel gezien gelijk staat aan de voltijdse studie rechtsgeleerdheid doet hier niet aan af. Hoewel appellant feitelijk (deels) hetzelfde doet als een voltijdstudent en het hem is gelukt om zestig studiepunten in het eerste jaar te halen, maakt dit niet dat de minister niet van de inschrijving mocht uitgaan. Daarbij weegt voor de rechtbank mee dat het in het geval van appellant niet zo is dat een deeltijdstudie de enige mogelijkheid is voor hem om zijn rechtenstudie te volgen. Hij had zich ook als voltijdstudent kunnen inschrijven. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Weliswaar zijn er gelijkenissen tussen de voltijdse opleiding en de deeltijdse opleiding (zoals het collegegeld, de te volgen vakken en de af te leggen tentamens), maar er zijn ook verschillen, bijvoorbeeld op het punt van de lestijden, de verplichte aanwezigheid en het minimale aantal studiepunten dat in het eerste jaar moet worden behaald. Het standpunt van partijen 3.1 Appellant heeft in grote lijnen herhaald wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Dat komt erop neer dat hij meent dat de feitelijke inrichting van het voltijdse onderwijs en het deeltijds onderwijs aan zijn onderwijsinstelling zodanig op elkaar lijken, dat op het terrein van studiefinanciering geen onderscheid zou mogen worden gemaakt tussen de opleidingen. Beide studies zijn ook binnen hetzelfde tijdsbestek af te ronden. 3.2. De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Appellant is ingeschreven voor deeltijds onderwijs en heeft daarom geen recht op studiefinanciering. Het oordeel van de Raad 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de minister aan appellant studiefinanciering moet toekennen voor de door hem gevolgde deeltijdopleiding rechtsgeleerdheid. De voor deze uitspraak belangrijke wettelijke bepalingen staan in de bijlage bij deze uitspraak. 4.2. Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel over de beroepsgronden had moeten komen. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en voldoende gemotiveerd dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen recht heeft op studiefinanciering voor de door hem gevolgde opleiding. Uit de aangevallen uitspraak blijkt ook dat appellant bewust heeft gekozen voor de deeltijdvariant, omdat die hem meer vrijheid bood. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de beroepsgronden en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. Dit betekent dat wat appellant heeft aangevoerd voor de minister geen aanleiding hoefde te zijn om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van het bepaalde in de artikelen 1.1 en 2.8 van de Wsf 2000. 4.3. Aanvullend wijst de Raad nog op het volgende. In de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wsf 2000 is erop gewezen dat voltijdstudenten in beginsel niet genoeg tijd hebben om op een reguliere wijze inkomen te verwerven om in hun levensonderhoud te voorzien. Dat dit ook geldt voor de studie rechtsgeleerdheid aan de onderwijsinstelling waar appellant is ingeschreven, blijkt uit de informatie die de minister in dit geding heeft ingezonden. Daarin wordt bijvoorbeeld de verplichte aanwezigheid voor voltijdstudenten vermeld (onderwijsgroepen overdag op meerdere dagen per week). Voor de deeltijdopleiding van appellant geldt dat deze zo is ingericht dat zij kan worden gevolgd naast het verrichten van werkzaamheden gedurende (een groot deel van) de week, ook al laat het onderwijsprogramma toe dat de studie in drie jaar wordt afgerond (en de studielast per jaar in dat geval hetzelfde is). Deeltijdstudenten hebben in beginsel geen aanwezigheidsplicht en de contactmomenten zijn geconcentreerd in het ‘Vrijdagmiddagonderwijs’. Dat alleen de studienorm voor het eerste jaar verschilt met die van voltijdstudenten en dat de toegangseisen voor de latere jaren dezelfde zijn – appellant verwijst daarvoor naar bijlage 8 van de Onderwijs- en Examenregeling – leidt appellant tot de conclusie dat de voltijdstudie en de deeltijdstudie in latere jaren hetzelfde zijn. De toegangseisen voor latere jaren zijn weliswaar hetzelfde, maar zeggen niets over het moment waarop een student aan dat tweede of derde jaar toe is. Zoals de minister heeft uitgelegd kan een deeltijdstudent immers langer doen over zijn studie. Daarnaast blijven de hiervoor genoemde verschillen ook na het eerste jaar bestaan. Conclusie en gevolgen 4.4.