Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-02-18
ECLI:NL:CRVB:2026:158
Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 22/253 WIA Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 december 2021, 20/5996 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 18 februari 2026 SAMENVATTING De Raad heeft in een tussenuitspraak geoordeeld dat het bestreden besluit gelet op de rapporten van de deskundige verzekeringsarts en de deskundige neuroloog op een ondeugdelijke medische grondslag berust en het Uwv opgedragen dit gebrek te herstellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een gewijzigde FML opgesteld en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geen nieuwe functies kunnen selecteren waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 100%. Vervolgens is een nieuwe (gewijzigde) beslissing op bezwaar genomen. Het beroep tegen die beslissing heeft de Raad niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. PROCESVERLOOP De Raad heeft in het geding tussen partijen op 3 september 2025 een tussenuitspraak gedaan (tussenuitspraak). Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 30 oktober 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft een zienswijze ingediend. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij voegt daar het volgende aan toe. 1.1. Met het besluit van 30 oktober 2025 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 juni 2020, waarbij het Uwv de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft afgewezen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, gegrond verklaard. Aan appellant is per 27 juni 2020 een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. 1.2. Bij brief van 17 november 2025 heeft appellant laten weten zich te kunnen vinden in de toekenning van een IVA-uitkering aan hem per 27 juni 2020. Het oordeel van de Raad 2. Het Uwv is geheel aan de bezwaren van appellant tegemoet gekomen. De kanttekeningen die appellant heeft gemaakt bij de medische beoordeling kunnen niet leiden tot een ander rechtsgevolg. Appellant heeft daarom geen belang meer bij een uitspraak op zijn hoger beroep. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Overschrijding van de redelijke termijn 3. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 4. De vraag of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van de verzoeker gedurende de gehele procesgang. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 ). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geh