Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-01-20
ECLI:NL:CRVB:2026:135
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,626 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:135 text/xml public 2026-04-15T10:02:16 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-01-20 24/23 PW-PV Uitspraak Hoger beroep Proces-verbaal NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl Notamail 2026/43 Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/122 JWWB 2026/73 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:135 text/html public 2026-02-09T08:00:48 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:135 Centrale Raad van Beroep , 20-01-2026 / 24/23 PW-PV Herziening en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Inkomsten uit vermogen. Ontvangst rentebetalingen. Schulderkenning uit vrijgevigheid. Herhaling beroepsgronden. Wat appellant aanvoert is een letterlijke herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24 23 PW-PV Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 november 2023, 23/491 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 20 januari 2026 Zitting heeft: W.F. Claessens Griffier: F.M. Gerritsen De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 20 januari 2026. Partijen zijn niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak om de herziening en terugvordering van de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2022. Het college heeft deze herziening en terugvordering na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 december 2022 (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit heeft het college, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant ontving jaarlijks een rentebetaling van zijn moeder. De notariële akten waarin dat is geregeld zijn zogeheten schulderkenningen uit vrijgevigheid. De jaarlijkse rentebetalingen zijn dus krachtens de notariële aktes verplichte betalingen, die geen vrijgevig karakter hebben en dus niet als gift zijn aan te merken. Omdat de rentebetalingen gekoppeld zijn aan een deel van het vermogen van appellant, te weten een niet-opeisbare vordering van zijn moeder, is sprake van inkomsten uit vermogen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Door geen melding te maken van deze inkomsten, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. De rentebetaling die appellant jaarlijks van zijn moeder ontving was een verplichte betaling, omdat die was gebaseerd op notariële akten. Deze rentebetaling is gekoppeld aan een deel van het vermogen van appellant, namelijk de niet-opeisbare vordering op zijn moeder, zodat sprake is van inkomsten uit vermogen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW. De vrijlating van het vermogen geldt niet omdat het daarbij alleen gaat over vermogen waarover appellant beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dat is hier niet het geval. De rentebetalingen vallen dan ook niet onder de uitzondering van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de PW. Dit vindt steun in rechtspraak van de Raad. Appellant kan geen geslaagd beroep doen op het kabinetsvoornemen om soepeler om te gaan met terugvorderingen van onterecht betaalde bijstandsuitkeringen, nu dit slechts een voornemen is en geen wet. Het college hoefde hier niet op te anticiperen. In hoger beroep heeft appellant net als in beroep de volgende twee gronden aangevoerd. De rente over de niet opeisbare vordering op zijn moeder moet gelijk worden gesteld met rente die een bijstandsontvanger ontvangt over zijn vermogen dat hij zelf heeft. Dit moet dus worden aangemerkt als (vrij te laten) rente op vermogen. Gelet op het kabinetsvoornemen om soepeler om te gaan met terugvorderingen van onterecht betaalde uitkeringen, zoals een bijstandsuitkering, moeten de herziening en terugvordering worden beperkt tot vijf jaar. Wat appellant aanvoert is een letterlijke herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering in stand blijven. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) F.M. Gerritsen (getekend) W.F. Claessens Uitspraken van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1160, en van 5 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:787.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:135 text/xml public 2026-04-15T10:02:16 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-01-20 24/23 PW-PV Uitspraak Hoger beroep Proces-verbaal NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl Notamail 2026/43 Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/122 JWWB 2026/73 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:135 text/html public 2026-02-09T08:00:48 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:135 Centrale Raad van Beroep , 20-01-2026 / 24/23 PW-PV Herziening en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Inkomsten uit vermogen. Ontvangst rentebetalingen. Schulderkenning uit vrijgevigheid. Herhaling beroepsgronden. Wat appellant aanvoert is een letterlijke herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24 23 PW-PV Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 november 2023, 23/491 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 20 januari 2026 Zitting heeft: W.F. Claessens Griffier: F.M. Gerritsen De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 20 januari 2026. Partijen zijn niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak om de herziening en terugvordering van de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2022. Het college heeft deze herziening en terugvordering na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 december 2022 (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit heeft het college, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant ontving jaarlijks een rentebetaling van zijn moeder. De notariële akten waarin dat is geregeld zijn zogeheten schulderkenningen uit vrijgevigheid. De jaarlijkse rentebetalingen zijn dus krachtens de notariële aktes verplichte betalingen, die geen vrijgevig karakter hebben en dus niet als gift zijn aan te merken. Omdat de rentebetalingen gekoppeld zijn aan een deel van het vermogen van appellant, te weten een niet-opeisbare vordering van zijn moeder, is sprake van inkomsten uit vermogen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Door geen melding te maken van deze inkomsten, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. De rentebetaling die appellant jaarlijks van zijn moeder ontving was een verplichte betaling, omdat die was gebaseerd op notariële akten. Deze rentebetaling is gekoppeld aan een deel van het vermogen van appellant, namelijk de niet-opeisbare vordering op zijn moeder, zodat sprake is van inkomsten uit vermogen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW. De vrijlating van het vermogen geldt niet omdat het daarbij alleen gaat over vermogen waarover appellant beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dat is hier niet het geval. De rentebetalingen vallen dan ook niet onder de uitzondering van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de PW. Dit vindt steun in rechtspraak van de Raad. Appellant kan geen geslaagd beroep doen op het kabinetsvoornemen om soepeler om te gaan met terugvorderingen van onterecht betaalde bijstandsuitkeringen, nu dit slechts een voornemen is en geen wet. Het college hoefde hier niet op te anticiperen. In hoger beroep heeft appellant net als in beroep de volgende twee gronden aangevoerd. De rente over de niet opeisbare vordering op zijn moeder moet gelijk worden gesteld met rente die een bijstandsontvanger ontvangt over zijn vermogen dat hij zelf heeft. Dit moet dus worden aangemerkt als (vrij te laten) rente op vermogen. Gelet op het kabinetsvoornemen om soepeler om te gaan met terugvorderingen van onterecht betaalde uitkeringen, zoals een bijstandsuitkering, moeten de herziening en terugvordering worden beperkt tot vijf jaar. Wat appellant aanvoert is een letterlijke herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering in stand blijven. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) F.M. Gerritsen (getekend) W.F. Claessens Uitspraken van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1160, en van 5 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:787.