Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-01-22
ECLI:NL:CRVB:2026:123
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 juli 2024, 23/3442 en 24/1799 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 22 januari 2026 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de herziening en terugvordering van de ANW-uitkering van appellant en de opgelegde boete. De Raad is van oordeel dat geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van de herziening en/of terugvordering af te zien. Ook de opgelegde boete blijft in stand. Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid en de boete is niet onevenredig. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 december 2025. Appellant is verschenen, in het bijzijn A. Salhi als tolk, bijgestaan door mr. Boon. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant ontvangt vanaf 1 oktober 2016 een ANW -uitkering in verband met het overlijden van zijn toenmalige echtgenote. Op 28 april 2023 heeft de Svb een systeemmelding vanuit de BRP ontvangen waarin is vermeld dat appellant op [datum] 2021 is gehuwd. 1.2. Met een besluit van 11 mei 2023 heeft de Svb de ANW-uitkering van appellant met ingang van 1 augustus 2021 ingetrokken, omdat hij op [datum] 2021 is gehuwd en daarom niet meer aan de voorwaarden voor een ANW-uitkering voldoet. 1.3. Met een besluit van 15 juni 2023 heeft de Svb de ten onrechte betaalde ANWuitkering over de periode van 1 augustus 2021 tot en met 30 april 2023 ten bedrage van € 25.204,29 teruggevorderd. Ook heeft de Svb aan appellant een boete opgelegd van € 5.800,-, omdat hij zijn huwelijk niet op tijd aan de Svb heeft doorgegeven. De boete is 50% van het benadelingsbedrag, met een maximum van € 5.800,-. 1.4. Met een besluit van 23 november 2023 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar tegen de intrekking niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant onverschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt. Het bezwaar tegen de terugvordering en de boete is ongegrond verklaard. Volgens de Svb heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Er zijn geen redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien of de boete te verlagen. 1.5. Met een besluit van 30 november 2023, gewijzigd bij besluit van 22 maart 2024 (bestreden besluit 2) heeft de Svb bepaald dat appellant met ingang van 1 december 2023 € 481,- per maand moet terugbetalen. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, omdat de Svb op zitting is teruggekomen van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de intrekking. Het bestreden besluit 1 is in zoverre vernietigd en voor het overige is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en geoordeeld dat appellant door zijn huwelijk niet bij de Svb te melden zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het huwelijk van invloed kon zijn op de ANW-uitkering. De Svb heeft terecht de ANW-uitkering ingetrokken en het ten onrechte ontvangen bedrag teruggevorderd. Niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering moet worden afgezien. Nu appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, was de Svb gehouden een boete op te leggen. Van een verminderde verwijtbaarheid is niet gebleken. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Svb terecht de aflossingscapaciteit van appellant heeft vastgesteld op € 481,- per maand. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft Ook ziet de Svb geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de Svb belang aan de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin de Svb een verwijt kan worden gemaakt. 4.6. In aanvulling hierop hanteert de Svb de vaste gedragslijn dat de “dringende reden”-toets bij de terugvordering op dezelfde wijze wordt uitgevoerd als bij de herziening of intrekking en wordt in uitzonderingsgevallen al in de terugvorderingsfase rekening gehouden met eventuele ernstige financiële gevolgen van een terugvordering. In een uitspraak van 21 november 2024 heeft de Raad geoordeeld dat de Svb met bovenstaande in zijn algemeenheid een invulling aan de bepalingen over de dringende reden heeft gegeven die strookt met wat in de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 is beoogd. De vaste gedragslijn is sinds 3 december 2025 als beleidsregel opgenomen in SB1429. Toepassing van het vorenstaande in het geval van appellant 4.7. De Raad is van oordeel dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij zijn huwelijk van [datum] 2021 moest melden bij de Svb. In het toekenningsbesluit en in de besluiten van 17 juli 2017 en 8 december 2021 is appellant erop gewezen dat hij een wijziging in zijn situatie binnen vier weken aan de Svb moet melden en is voor verdere informatie verwezen naar de website van de Svb. Uit de aard van de uitkering, maar ook uit de informatie die appellant ter beschikking stond, waaronder op de website van de Svb, had het hem duidelijk kunnen zijn dat een huwelijk van invloed kon zijn op zijn aanspraak op ANW-uitkering en dat hij deze wijziging moest melden bij de Svb. Dat appellant naar eigen zeggen laaggeschoold is en niet handig met de computer, doet hieraan niet af. Het feit dat het ging om een nabestaandenuitkering had bij appellant op zijn minst twijfel moeten oproepen of hij hierop na zijn huwelijk nog recht had en het had op zijn weg gelegen om hierover bij de Svb informatie in te winnen. De verwijzing, ter zitting, naar beleidsregel SB1407 kan appellant evenmin helpen. Aan de daarin opgenomen zin ‘ De SVB verwacht wel van betrokkene dat hij de brieven van de SVB zorgvuldig leest, maar niet dat hij de inhoud van de brieven controleert aan de hand van de wet- en regelgeving, de beleidsregels en de website van de SVB ’ komt niet de betekenis toe die appellant daaraan hecht. Dit deel van het beleid ziet op een situatie waarin door een fout van de Svb een onjuist besluit is genomen. Het heeft dus geen betrekking op de vraag wat appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn in het kader van de inlichtingenverplichting. 4.8. In de omstandigheden die appellant heeft aangevoerd, heeft de Svb geen aanleiding hoeven zien om op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk af te zien van de intrekking en/of terugvordering. De intrekking en terugvordering is niet ontstaan of opgelopen door toedoen van de Svb, maar door de schending van de inlichtingenverplichting door appellant. Appellant heeft zijn huwelijk immers niet tijdig gemeld. Van enige verwijtbaarheid aan de kant van de Svb is geen sprake. De Svb heeft op 28 april 2023 een systeemmelding ontvangen waaruit bleek dat appellant in het buitenland was gehuwd. De Svb heeft op 11 mei 2023 de ANW-uitkering beëindigd, en daarmee voldoende voortvarend gehandeld. 4.9. Ook in de overige omstandigheden die door appellant zijn aangevoerd heeft de Svb geen aanleiding hoeven zien om de intrekking te matigen of geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering. Dat appellant vanaf augustus 2021 recht zou hebben gehad op een bijstandsuitkering, is geen omstandigheid die ertoe leidt dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Als appellant tijdig zijn huwelijk had gemeld, had hij ook tijdig een bijstandsuitkering kunnen De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. (...) Artikel 39 (bestuurlijke boete) 1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 35. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan nabestaandenuitkering of wezenuitkering is verleend. (...) 5. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 35, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan nabestaandenuitkering of wezenuitkering is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden. (...) 7. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. (...) 9. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. Artikel 53 1. De uitkering op grond van deze wet die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 34 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, teruggevorderd. (…) 5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten Artikel 2 1. Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen. 2. Indien de inlichtingenverplichting opzettelijk is overtreden, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 100 procent van het benadelingsbedrag. 3. Indien sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 75 procent van het benadelingsbedrag. 4. Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag. 5. Indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplicht