Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-08-25
ECLI:NL:CRVB:2026:1119
Afwijzingen verzoek om schadevergoeding. Er bestaan geen causaal verband tussen het onrechtmatige besluit van 16 juni 2016 en de door het college gestelde schade. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 25/42 BESLU, 25/1042 BESLU Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 5 december 2024, 24/3398 (aangevallen uitspraak 1) en van 16 april 2025, 24/4880 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: het college van bestuur van de Universiteit Maastricht (college) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 25 augustus 2026 SAMENVATTING De zaken gaan over twee verzoeken van het college om schadevergoeding in verband met door het college verstrekte voorschotten op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering aan een ex-werknemer. Deze verzoeken zijn gebaseerd op respectievelijk artikel 8:88 van de Awb en artikel 108, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wfsv. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv deze verzoeken terecht heeft afgewezen. PROCESVERLOOP Namens het college heeft mr. drs. M.L.M. van de Laar, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 10 maart 2026. Voor het college is mr. G.W.J. Raaijmakers verschenen, bijgestaan door mr. drs. Van de Laar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Bij besluit van 12 mei 2015 heeft het college [naam werknemer] (werknemer) met ingang van 1 juni 2015 wegens plichtsverzuim onvoorwaardelijk disciplinair ontslag opgelegd. 1.2. Werknemer heeft vervolgens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 16 juni 2015 heeft het Uwv beslist dat werknemer wel recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet wordt uitbetaald, omdat hij verwijtbaar werkloos is in de zin van artikel 24 van de WW. 1.3. Bij beslissing op bezwaar van 16 juni 2016 heeft het Uwv het bezwaar van werknemer tegen het besluit van 16 juni 2015 gegrond verklaard en geconcludeerd dat werknemer niet verwijtbaar werkloos is. Het college, dat eigen risicodrager is wat betreft de WW, heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 16 juni 2016. 1.4. Vervolgens heeft het Uwv aan werknemer met ingang van 1 juni 2015 een voorschot op zijn WW-uitkering uitgekeerd in afwachting van de uitkomst in de procedure op het ontslagbesluit. 1.5. Werknemer heeft op 12 september 2016 bij het college een aanvraag ingediend voor een bovenwettelijke uitkering op grond van de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Nederlandse Universiteiten (BWNU 2014). Bij besluit van 8 november 2016 heeft het college in afwachting van de uitkomst over de WW-uitkering aan werknemer met ingang van 1 juni 2015 een voorschot op de bovenwettelijke uitkering verstrekt. 1.6. Met ingang van 2 oktober 2017 is de WW-uitkering van werknemer beëindigd. Ook het college heeft de betaling van het voorschot op de bovenwettelijke uitkering per die datum beëindigd. 1.7. Bij uitspraak van 28 november 2017 heeft de rechtbank Limburg het beroep tegen het besluit van 16 juni 2016 gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het primaire besluit van 16 juni 2015 herleeft. Deze uitspraak staat in rechte vast. 1.8. Het Uwv heeft de ten onrechte verhaalde WW-uitkering over de periode van 1 juni 2015 tot 2 oktober 2017 met rente aan het college vergoed. 1.9. Het Uwv heeft bij besluit van 30 april 2019, na bezwaar gehandhaafd, de WWuitkering van werknemer over de periode van 1 juni 2015 tot en met 1 oktober 2017 herzien en teruggevorderd. Bij uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 augustus 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat de herziening en terugvordering van de WW-uitkering in strijd is met het bepaalde in artikel 23 van de WW en heeft het beroep van werknemer gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Deze uitspraak staat in rechte vast. 2. Bij besluit van 3 december 2019 heeft het college het voorschot aan bovenwettelijke uitkering over de periode van 1 juni 2021 tot en met 1 oktober 2017 van werknemer teruggevorderd. De rechtbank Limburg heeft bij uitspraak van 6 maart 2024 geoordeeld dat de terugvordering in strijd is met artikel 10 van het BWNU 2014 en artikel 23 van de WW en het besluit van 3 december 2019 herroepen. Tegen deze uitspraak heeft het college geen hoger beroep ingesteld. 2.1. Bij brief van 7 februari 2024, aangevuld bij brief van 12 maart 2024, heeft het college bij het Uwv een verzoek om schadevergoeding ingediend, bestaande uit het voorschot op een bovenwettelijke uitkering dat aan werknemer is toegekend. Het gaat om een bedrag van € 55.970,23. Het college heeft hierbij gesteld dat het Uwv de schade dient te vergoeden op grond van artikel 108, eerste lid, sub j, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). 2.2. Op 12 april 2024 heeft het Uwv het verzoek afgewezen. Aan de afwijzing heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat het besluit van 16 juni 2016 onrechtmatig is en dat er sprake is van schade, maar dat de schade geen verband houdt met het onrechtmatige besluit. Hoewel volgens het Uwv onmiskenbaar een verband bestaat tussen aan de ene kant de aanspraak op een WW-uitkering en aan de andere kant de beoordeling van de aanspraak op een bovenwettelijke uitkering, is dat verband volgens het Uwv niet zo hecht dat sprake is van een causaal verband in de zin van het schadevergoedingsrecht. Het besluit van het Uwv ziet slechts op een aanspraak op een WW-uitkering. De werkgever beoordeelt zelf eventuele aanspraken op een aanvulling op de WW-uitkering en de ingangsdatum van die aanvulling. Het Uwv heeft hierbij gewezen op de uitspraak van de Raad van 19 juli 2013. 2.3. Met brieven van 29 april 2024 en 16 mei 2024 heeft het college het Uwv verzocht in te gaan op de door hem gestelde grondslag voor schadevergoeding, te weten artikel 108, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wfsv. Het college heeft hierbij gewezen op een uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 januari 2004, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat schade bestaande in het betalen van een bovenwettelijke uitkering niet zonder meer van vergoeding op grond van (het tot 1 januari 2006 geldende) artikel 97f, aanhef en onder j, van de WW is uitgesloten. Het Uwv heeft zijn standpunt dat er geen causaal verband bestaat tussen de gestelde schade van het college en het onrechtmatige besluit van 16 juni 2016 gehandhaafd en gesteld dat de door het college aangehaalde uitspraak is van vóór de inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en daarom niet van toepassing is. Met ingang van 1 juli 2013 worden schadeverzoeken beoordeeld op basis van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast ziet de Wfsv volgens het Uwv op de financiering van de sociale verzekeringswetten en niet op de financiering van bovenwettelijke uitkeringen. 2.4. Het college heeft zich met een brief van 17 mei 2024 tot de rechtbank Limburg gewend. De rechtbank Limburg heeft deze brief aangemerkt als een verzoekschrift, als bedoeld in artikel 8:90 van de Awb. 2.5. Met een besluit van 13 november 2024 heeft het Uwv beslist op het verzoek om schadevergoeding gebaseerd op artikel 108, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wfsv. Het college heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en het Uwv gevraagd in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Het Uwv heeft – op verzoek van het college – het bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank Limburg ter behandeling als rechtstreeks beroep. Aangevallen uitspraak 1 3. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade geen causaal verband bestaat. Hoewel er onmiskenbaar een verband bestaat, tussen enerzijds het recht op een WW-uitkering en anderzijds de beoordeling van het recht op een aanvulling daarop op grond van de BWNU 2014, is dat verband niet zo hecht dat sprake is van een causaal verband in de zin van het schadevergoedingsrecht. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat het onrechtmatige besluit enkel het recht op een WW-uitkering betreft en [naam organisatie] , de organisatie die namens het college het BWNU uitvoert, een eigen beoordeling verricht over de vraag of recht bestaat op een aanvulling op het recht op WW-uitkering op grond van de BWNU 2014 en de ingangsdatum daarvan. De rechtbank heeft verwezen naar uitspraken van de Raad van 27 januari 2022 en 19 juli 2013. 3.1. Dat – zoals door appellant ter zitting is aangevoerd – voor het college geen sprake is van beoordelingsvrijheid, leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat in de BWNU 2014 een koppeling is gemaakt tussen het recht op een WW-uitkering en het recht op een bovenwettelijke uitkering, niet met zich brengt dat het Uwv ook het risico draagt van een onjuiste beoordeling in het kader van de BWNU. De sociale partners tussen wie de BWNU 2014 tot stand is gekomen en waarbij het Uwv geen partij is, kunnen het risico van een onjuiste beoordeling niet op het Uwv afwentelen. Aangevallen uitspraak 2 3.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 november 2024 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de tekst van artikel 108, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wfsv letterlijk moet worden gelezen. Er staat schade die de werkgever lijdt door toepassing van artikel 23, eerste lid, van de WW en niet: ‘door overeenkomstige toepassing’ van dit artikel. Het feit dat in de wetsgeschiedenis wordt gesproken over uitkeringslasten maakt dit niet anders. Artikel 108 van de Wfsv bevat een opsomming van de uitgaven die ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen. De opsomming in dit artikel heeft alleen betekenis wanneer het aanwijst ten laste van welk fonds een bepaalde uitgave door het Uwv moet worden gebracht. Artikel 108, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wfsv bepaalt dat voor rekening van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komt: vergoeding door het Uwv aan een overheidswerkgever van de schade die deze lijdt door toepassing van artikel 23, eerste lid, van de WW en de daaraan verbonden uitvoeringskosten. Een overheidswerkgever lijdt schade als het Uwv aan een overheidswerknemer die in zijn dienst werkzaam is geweest ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan WW-uitkering heeft verstrekt. De schade is gelegen in het feit dat in deze situatie, naar achteraf is gebleken, enige tijd ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan WW-uitkering is verstrekt. Omdat de WW-uitkering bij een overheidswerkgever als eigenrisicodrager voor de WW voor zijn rekening komt, vergoedt het Uwv hem op zijn verzoek de schade. Op grond van artikel 108 van de Wfsv komt deze schade voor rekening van het Uitvoeringsfonds van de overheid. De rechtbank is van oordeel dat dit enkel gaat over de WW-uitkering en niet over de bovenwettelijke uitkering op grond van de BWNU 2014. 3.2.1. Het beroep op de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 januari 2004 heeft de rechtbank niet gevolgd. In die uitspraak heeft de rechtbank Roermond een verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat de formulering van (voormalig) artikel 97f, aanhef en onder j, van de WW (de voorloper van artikel 108, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wfsv) zo ruim is dat schade bestaande uit het betalen van bovenwettelijke uitkering niet zonder meer van vergoeding op grond van dat artikel was uitgesloten, zodat ook het (mogelijk) bestaan van dergelijke schade de rechtbank in 2004 geen aanleiding gaf tot toepassing van artikel 8:73 van de Awb. Deze redenering slaagt volgens de rechtbank niet. In de BWNU 2014 – een regeling tussen sociale partners, waarbij het Uwv geen partij is – is een koppeling gemaakt tussen het recht op een WW-uitkering en de aanspraak op een bovenwettelijke uitkering. De rechtbank heeft overwogen dat deze koppeling niet met zich meebrengt dat het Uwv niet alleen het risico draagt van een verkeerde beoordeling in het kader van de WW, maar ook het risico draagt van een verkeerde beoordeling in het kader van de BWNU 2014. De sociale partners hebben laatstgenoemd risico naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen afwentelen op het Uwv. 3.2.2. De beroepsgronden van het college dat het besluit van 13 november 2024 onvoldoende is gemotiveerd en niet zorgvuldig is voorbereid en dat de besluitvorming lang heeft geduurd, slagen volgens de rechtbank evenmin. De rechtbank heeft van belang geacht dat, hoewel het een kort en bondig besluit is, de afwijzingsgrond daarin duidelijk is vermeld. De rechtbank heeft erkend dat het besluit van het Uwv op het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 108 van de Wfsv lang op zich heeft laten wachten, maar deze enkele constatering maakt het besluit van 13 november 2024 niet onrechtmatig. De rechtbank heeft van belang geacht dat het college een beroep wegens niet tijdig beslissen had kunnen indienen en dat niet heeft gedaan. Het standpunt van appellant 4.1. Het college heeft tegen aangevallen uitspraak 1 de volgende gronden aangevoerd. 4.1.1. Het college heeft het standpunt herhaald dat er causaal verband bestaat tussen het onrechtmatige besluit en het aan de ex-werknemer betaalde voorschot aan bovenwettelijke uitkering op de WW-uitkering ten bedrage van € 55.970,23. De betaling van het voorschot is het directe gevolg van het onrechtmatige besluit van het Uwv en zodoende bestaat daarmee in een voldoende mate samenhang. Het college heeft niet betwist dat het onrechtmatige besluit alleen betrekking heeft op het recht op een WW-uitkering, maar dat neemt volgens het college niet weg dat het onrechtmatige besluit direct gevolgen heeft voor de aanspraak op een voorschot aan bovenwettelijke uitkering. Volgens het college is het onduidelijk om welke reden de rechtbank heeft geoordeeld dat het causaal verband niet zo hecht is dat sprake is van een causaal verband in de zin van het schadevergoedingsrecht. 4.1.2. Daarnaast heeft het college, onder verwijzing naar uitspraken van de Raad van 9 december 2015 en 29 januari 2020, aangevoerd dat de bovenwettelijke uitkering een op het Uwv te verhalen schadepost betreft, omdat het college op grond van artikel 7.3, eerste lid, van de CAO Nederlandse Universiteiten van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 en artikel 4 van de BWNU 2014 verplicht is om deze uitkering aan een werknemer toe te kennen op het moment dat de werknemer recht heeft op een WWuitkering. Van een eigen beoordeling door [naam organisatie] namens het college is volgens het college geen sprake. 4.2. Het college heeft tegen aangevallen uitspraak 2 de volgende gronden aangevoerd. 4.2.1. Het college heeft zijn standpunt herhaald dat op grond van artikel 108, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wfsv de gestelde schade die hij als werkgever lijdt door de onjuiste toepassing door het Uwv van artikel 23, eerste lid, van de WW en de daaraan verbonden uitkeringskosten voor rekening van het Uwv komen en dat daaronder ook het door het college betaalde voorschot aan bovenwettelijke uitkering valt. Het college heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 januari 2004 en naar de wetgeschiedenis van voormalig artikel 97f, aanhef en onder j van de WW, waarin wordt gesproken van uitkeringslasten en waaruit volgt dat een eigenrisicodrager niet de dupe dient te worden van een onjuiste beslissing van het Uwv. 4.2.2. Het college heeft erop gewezen dat de rechtbank Limburg op 6 maart 2024 heeft geoordeeld dat de artikelen 23, eerste lid, van de WW en artikel 31, tweede lid, van de WW van toepassing zijn op (het voorschot aan) bovenwettelijke uitkering op de WW-uitkering van de werknemer. Volgens het college dient de gestelde schade op grond van artikel 108, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wfsv voor rekening van het Uwv te komen. 4.2.3. Verder heeft het college herhaald dat het besluit van 13 november 2024 onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat het lang heeft geduurd voordat het Uwv op zijn verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 108, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wfsv heeft beslist. Het standpunt van het Uwv 5. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraken 1 en 2 te bevestigen. Het oordeel van de Raad Aangevallen uitspraak 1 6.1. Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a en b, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. 6.2. In geschil is de vraag of sprake is van een causaal verband tussen het onrechtmatige besluit van 16 juni 2016 en de door het college gestelde schade. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. 6.3. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en komen vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. 6.4. Op grond van artikel 10, eerste lid, van de BWNU 2014 zijn de artikelen 22 tot en met 27 en 28 van de WW van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de WWuitkering en op de aansluitende uitkering, behalve in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid. Dat betekent dat [naam organisatie] namens het college op grond van dit artikel gehouden is een eigen beoordeling te plegen of recht bestaat op een bovenwettelijke uitkering en daarbij met overeenkomstige toepassing van artikel 24 van de WW zelf moet beoordelen of werknemer al dan niet verwijtbaar werkloos is, in verband waarmee een maatregel kan worden opgelegd die onder meer kan inhouden dat het recht niet tot uitbetaling komt. Dit brengt mee dat de door het college gestelde schade niet aan het Uwv kan worden toegerekend als een gevolg van het onrechtmatige besluit van 16 juni 2016, dat uitsluitend ziet op de aanspraken op grond van de WW. 6.5. Wat namens het college ter zitting is opgemerkt over de gang van zaken met betrekking tot het verstrekken van een bovenwettelijke uitkering, namelijk dat na ontvangst door [naam organisatie] van een besluit van het Uwv, waarin is bepaald dat een werknemer recht heeft op een WW-uitkering, automatisch dit standpunt van het Uwv wordt gevolgd, leidt niet tot een ander oordeel. Het feit dat in de praktijk wordt aangesloten bij het oordeel van het Uwv komt voor rekening en risico voor het college. Aangevallen uitspraak 2 6.6. Artikel 108, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wfsv bepaalt dat ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen: de op diens aanvraag aan de werkgever door het Uwv te verlenen vergoeding van de schade, die de werkgever lijdt door toepassing van artikel 23, eerste lid, van de WW en de daaraan verbonden uitvoeringskosten. 6.7. Het college heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven, zodat wordt volstaan met daarnaar te verwijzen. Conclusie en gevolgen 6.8. De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken 1 en 2 worden bevestigd. Dit betekent dat de afwijzingen van de verzoeken om schadevergoeding in stand blijven. 7. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt het college geen vergoeding voor de proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2. Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en G.C. Boot en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026. (getekend) S. Wijna De griffier is verhinderd te ondertekenen. Bijlage: voor deze zaken van belang zijnde (wettelijke) bepalingen Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Werkloosheidswet Artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt. Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Nederlandse Universiteiten 2014 (BWNU 2014) Artikel 10, eerste lid De artikelen 22 tot en met 27 en 28 WW zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de WW-uitkering en op de aansluitende uitkering, behalve in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid. Wet financiering sociale verzekeringen Artikel 108, eerste lid, aanhef en onder j Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen de op diens aanvraag aan de werkgever door het Uwv te verlenen vergoeding van de schade, die de werkgever lijdt door toepassing van artikel 23, eerste lid, van de Werkloosheidswet en de daaraan verbonden uitvoeringskosten. Werkloosheidswet Artikel 23, eerste lid De intrekking of verlaging van een uitkering, die voortvloeit uit het door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, vindt niet eerder plaats dan de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het bezwaar of beroep omdat het Uwv geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan het bezwaar of beroep van de werkgever. Dit besluit is in rechte komen vast te staan met de uitspraak van de Raad van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2274. Rb. Limburg 28 november 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:11567. CRvB 19 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1165. Rb. Roermond 7 januari 2004, ECLI:NL:RBROE:2004:AO1851. CRvB 27 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:297 en CRvB 19 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1165. Zie noot 4. CRvB 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4236 en CRvB 29 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:197. Zie noot 4. Kamerstukken II 1999/2000, 27093, nr 3, p. 35. CRvB 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446 en CRvB 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.