Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-08-18
ECLI:NL:CRVB:2026:1093
Afwijzing aanvragen om bijstand. Terugvordering voorschot. Onduidelijke financiële situatie. Schending inlichtingenverplichting. Onduidelijke woon- en leefsituatie. Schending medewerkingsverplichting. Niet verschijnen op gesprek. Appellant heeft onvoldoende duidelijkheid verschaft over zijn financiële situatie. Appellant heeft zijn bijstandbehoevendheid dan ook niet aannemelijk gemaakt. Appellant heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de beëindiging van zijn bedrijfsactiviteiten. Verder is niet in geschil dat op de bankrekening van appellant stortingen hebben plaatsgevonden. Appellant heeft de herkomst van deze bedragen niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft geen controleerbare bewijzen overgelegd voor zijn stelling dat de bedragen afkomstig waren van leningen. 25/73 PW, 25/1605 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 28 november 2024, 23/8365 (aangevallen uitspraak 1) en 26 juni 2025, 23/5267 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellant] , verblijvend in Spanje (appellant) het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college) Datum uitspraak: 18 augustus 2026 SAMENVATTING Deze uitspraak gaat over de afwijzing van drie aanvragen om bijstand van appellant en de terugvordering van een voorschot. Het college heeft de eerste aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De tweede aanvraag is afgewezen op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen duidelijkheid te geven over zijn woon- en leefsituatie als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Aan de afwijzing van de derde aanvraag ligt ten grondslag dat appellant – door niet te verschijnen op een afspraak – de op hem rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft aangevoerd dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres en dat hij voldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek van het college. Appellant krijgt geen gelijk . PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 juli 2026. Voor appellant is mr. Schuckink Kool verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant is als zelfstandige werkzaam geweest. In de periode van maart 2020 tot en met september 2021 heeft hij bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers ontvangen. Vervolgens heeft hij opeenvolgend verschillende aanvragen ingediend om bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Participatiewet (PW). Deze aanvragen zijn niet in behandeling genomen, dan wel afgewezen. 25/1605 PW 1.2. Op 21 juli 2022 heeft appellant bijstand aangevraagd op grond van de PW (aanvraag 1) met als gewenste ingangsdatum 1 januari 2022. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij alleenwonend is op adres X te [plaats 1] , dat zijn vaste lasten op het moment van de aanvraag worden voldaan door zijn familie en dat hij als gevolg van ziekte niet in staat is om te werken. Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college met brieven van 22 juli 2022 en 8 september 2022 nadere informatie opgevraagd, waaronder bankafschriften over de periode van 1 juni 2022 tot en met 22 juli 2022, een verklaring over de wijze waarop appellant in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 8 september 2022 in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien, recente bewijsstukken van schulden, een verklaring voor de stortingen op de bankrekening en een bewijs van uitschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK). 1.3. Met een besluit van 20 september 2022 heeft het college een voorschot verstrekt tot een bedrag van € 990,-. 1.4. Nadat uit onderzoek is gebleken dat op adres X nog twee personen staan ingeschreven heeft het college appellant met een brief van 27 september 2022 verzocht de woonsituatie met de medebewoners toe te lichten. Verder is uit de overgelegde bankafschriften gebleken dat zowel transacties voor levensonderhoud als contante opnames ontbreken en is appellant gevraagd op welke wijze hij zijn boodschappen betaalt. Met een brief van 11 oktober 2022 heeft het college nadere informatie opgevraagd over onder meer de frequentie waarmee appellant bij zijn kinderen in [plaats 2] en [plaats 3] verblijft. Naar aanleiding van alle informatieverzoeken heeft appellant onder meer bankafschriften overgelegd en schriftelijke verklaringen verstrekt over de stortingen op zijn bankrekening en over de wijze waarop hij in de afgelopen periode in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien. 1.5. Met een besluit van 4 november 2022 (besluit 1) heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant niet volledig aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Met een besluit van 16 november 2022 (besluit 2) heeft het college het voorschot van € 990,- van appellant teruggevorderd. 1.6. Met een besluit van 30 mei 2023 (bestreden besluit 1) heeft het college, voor zover hier van belang, de bezwaren tegen besluit 1 en besluit 2 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt in bijstandbehoevende omstandigheden te verkeren. 25/73 PW 1.7. Op 10 juli 2023 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd op grond van de PW (aanvraag 2). Hij heeft vermeld, samen met een medebewoner, woonachtig te zijn op adres X in [plaats 1] . Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college met een brief van 11 juli 2023 nadere gegevens opgevraagd, waaronder informatie over zijn medebewoners, een verklaring voorzien van bewijsstukken over hoe hij in de periode van 1 januari 2023 tot en met 11 juli 2023 in de kosten van zijn levensonderhoud heeft voorzien, afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen van 7 februari 2023 tot en met 11 juli 2023, bewijsstukken van schulden en een bewijs van uitschrijving bij de KvK. Vervolgens is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 28 juli 2023. Tijdens dit gesprek heeft appellant verklaard dat op zijn adres een vrouw uit Oekraïne en haar zoon inwonen en dat zij in september 2023 weer vertrekken. Zijn huisgenoten dragen niet bij in de vaste lasten van de woning. Hij ontvangt contant geld van zijn kinderen voor de kosten van levensonderhoud variërend van € 50,- tot € 250,- per twee weken. Verder verklaart appellant dat de woningstichting het slot van zijn voordeur heeft veranderd, dat hij geen nieuwe sleutel heeft en dat de sleutel van de woning bij zijn zoon in [plaats 3] ligt. Appellant heeft een beschrijving gegeven van zijn tweekamerwoning. In de woonkamer staat een driepersoons bankstel, een bruine salontafel en een televisie. Zijn kleding, waaronder broeken, liggen in de slaap-/woonkamer en zijn toiletartikelen staan in de badkamer. Hij wast zijn eigen kleding en doet zelf boodschappen, die hij contant betaalt. Zijn etenswaren bewaart hij in de keuken. Hij slaapt zeven dagen per week op adres X. Na voorlezing van de verklaring herhaalt appellant dat hij meestal in [plaats 1] is. Als hij geen geld heeft en moet eten gaat hij een of twee dagen naar zijn zoon of dochter in [plaats 3] of [plaats 2] . Appellant heeft het gesprek na 25 minuten afgebroken, omdat hij de vragen van de rapporteur te privé en confronterend vond. 1.8. Aansluitend aan het gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden op adres X. Appellant kon op verzoek geen sleutels tonen van de portiekdeur en de voordeur. Het betrof een tweekamerwoning met een woon- en slaapkamer. De badkamer was alleen bereikbaar via de slaapkamer van de medebewoner. Appellant verklaarde dat met uitzondering van de bank en de eettafel geen meubels van hem in de woning aanwezig waren. Er is, in tegenstelling tot zijn eerdere verklaring, geen televisie aangetroffen. Aan de kapstok hingen twee overhemden, een colbert en een T-shirt, die volgens appellant van hem waren. Daarnaast toonde hij een kleine stapel kleding onder in een kast in de woonkamer. Er is geen ondergoed en slechts één paar sokken aangetroffen. In de slaap- en badkamer zijn geen persoonlijke (verzorgings-)artikelen van appellant aangetroffen. Van de Oekraïense familie zijn wel persoonlijke eigendommen aangetroffen, zoals kleding, een laptop, schoenen en persoonlijke verzorgingsproducten. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 juli 2023. 1.9. Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het college met een besluit van 28 juli 2023 (besluit 3) de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant niet volledig aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 1.10. Appellant heeft op 2 augustus 2023 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend (aanvraag 3). Appellant heeft op het aanvraagformulier vermeld dat hij op adres X in [plaats 1] woont en dat er geen andere bewoners op dit adres zijn. Verder heeft hij vermeld dat hij als gevolg van ziekte niet meer kan werken en dat hij tot en met 24 augustus 2023 salaris zal ontvangen. 1.11. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college met een brief van 3 augustus 2023, herhaald met een brief van 10 augustus 2023, nadere informatie opgevraagd, waaronder bewijsstukken van inkomsten, afschriften van betaal- en spaarrekeningen, recente bewijsstukken van schulden en betaalbewijzen van huur. Appellant heeft de bankafschriften en bewijzen van huurbetaling overgelegd. Op 16 augustus 2023 hebben twee handhavingsmedewerkers geprobeerd een onaangekondigd huisbezoek af te leggen op adres X. Appellant is toen niet aangetroffen. Vervolgens is appellant met een brief van 17 augustus 2023, die persoonlijk op het opgegeven adres is bezorgd op 18 augustus 2023, uitgenodigd voor een gesprek op 21 augustus 2023. Appellant is niet op dit gesprek verschenen en heeft ook nadien niet gereageerd. 1.12. Met een besluit van 22 augustus 2023 (besluit 4) heeft het college aanvraag 3 afgewezen. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant niet volledige inlichtingen heeft verstrekt als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 1.13. Met een besluit van 23 oktober 2023 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 3 en 4, met aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt, voor zover dat ziet op besluit 3, ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen duidelijkheid te geven over zijn woon- en leefsituatie als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de grondslag van besluit 4 in die zin aangevuld dat appellant door niet te verschijnen op het gesprek van 21 augustus 2023 de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Uitspraak van de rechtbank 2. Met aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag 1 en de terugvordering van het voorschot in stand gelaten. 2.1. Met aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee de afwijzing van de aanvragen 2 en 3 in stand gelaten. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de afwijzing van de aanvragen en de terugvordering van het voorschot in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. Dit is vaste rechtspraak. 4.2. Op iemand die bijstand aanvraagt zijn vanaf het moment dat hij zich heeft gemeld voor de aanvraag de inlichtingenverplichting en de medewerkingsverplichting van artikel 17, eerste en tweede lid, van de PW van toepassing. Als het college aannemelijk maakt dat een aanvrager de inlichtingen- of medewerkingsverplichting heeft geschonden, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Aangevallen uitspraak 2 Aanvraag 21 juli 2022 en terugvordering voorschot 4.3. De te beoordelen periode loopt van 21 juli 2022 tot en met 4 november 2022. 4.4. Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Zo heeft appellant tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het beëindigen van zijn bedrijfsactiviteiten, heeft hij onvoldoende inzicht gegeven in de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien en heeft hij geen duidelijkheid verschaft over de stortingen op zijn bankrekeningen. Tot slot heeft hij onvoldoende duidelijkheid gegeven over zijn woonsituatie. 4.5. Appellant heeft – samengevat – aangevoerd dat hij voldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. Deze grond heeft appellant ter zitting als volgt toegelicht. Appellant was ten tijde van de aanvraag niet meer werkzaam als zelfstandige. Weliswaar heeft hij zich pas in juli 2023 uitgeschreven bij de KvK, maar de reden hiervoor was een nog lopende bezwaarprocedure tegen de afwijzing van een IOAZ-aanvraag. Met betrekking tot de stortingen op zijn bankrekening heeft appellant gesteld dat het college deze bedragen als inkomsten in mindering op de bijstand had kunnen brengen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang. 4.5.1. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de beëindiging van zijn bedrijfsactiviteiten. Zo heeft hij op het aanvraagformulier van 21 juli 2022 vermeld dat hij niet langer werkzaam is als zelfstandig ondernemer, terwijl hij op 1 november 2022 schriftelijk heeft verklaard dat hij zijn onderneming nog niet heeft beëindigd, maar dat zijn inkomsten onvoldoende zijn. Dat de uitschrijving bij de KvK, naar appellant stelt, is vertraagd in verband met een lopende bezwaarprocedure, doet, wat daar ook van zij, niet af aan de tegenstrijdigheid van de hiervoor vermelde verklaringen. Hierdoor is onduidelijk of appellant nog inkomsten uit zijn onderneming had. 4.5.2. Verder is niet in geschil dat in de periode van maart 2022 tot en met juli 2022 stortingen op de bankrekening van appellant hebben plaatsgevonden tot een bedrag van in totaal € 4.230,-. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant de herkomst van deze bedragen niet aannemelijk heeft gemaakt. Hij heeft geen controleerbare bewijzen overgelegd voor zijn stelling dat de bedragen afkomstig waren van leningen. 4.5.3. Uit 4.5.1. en 4.5.2 volgt dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie. Appellant heeft zijn bijstandbehoevendheid dan ook niet aannemelijk gemaakt. Reeds gelet hierop kan de stelling van appellant dat de stortingen als inkomsten moeten worden aangemerkt niet slagen. 4.6. Alleen al omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde heeft het college de aanvraag om bijstand terecht afgewezen. Wat appellant overigens heeft aangevoerd met betrekking tot zijn woonsituatie behoeft bij deze aanvraag gelet op het voorgaande geen bespreking. 4.7. Tegen de terugvordering van het voorschot heeft appellant geen zelfstandige gronden ingediend zodat deze geen verdere bespreking behoeft. Aangevallen uitspraak 1 Aanvraag 10 juli 2023 4.8. De te beoordelen periode loopt van 10 juli 2023 tot en met 28 juli 2023. 4.9. Het woonadres van een betrokkene is het adres van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. 4.10. Wat appellant heeft aangevoerd komt erop neer dat hij voldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie. Hij stond in de BRP ingeschreven op adres X, huurde daar een woning en ontving op dit adres zijn post. De aanwezigheid van de Oekraïense familie op zijn adres kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat hij daar niet zijn hoofdverblijf heeft. Dat bij het huisbezoek weinig persoonlijke spullen van appellant zijn aangetroffen heeft hij als volgt verklaard. Hij heeft weinig bezittingen en een deel daarvan heeft hij opgeslagen in verband met het delen van de woonruimte met de Oekraïense familie. Deze beroepsgrond slaagt niet. 4.10.1. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant, anders dan hij op het aanvraagformulier heeft opgegeven, in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op adres X. Hierbij wordt met name betekenis toegekend aan de bevindingen van het huisbezoek op 28 juli 2023, zoals weergegeven onder 1.8. Wat tijdens het huisbezoek is geconstateerd komt niet overeen met wat appellant voorafgaand aan het huisbezoek heeft verklaard. Zo is er geen televisie in de woning aanwezig en zijn er geen persoonlijke eigendommen, weinig kleding en in de badkamer geen verzorgingsproducten van appellant aangetroffen. Verder is appellant niet in het bezit van een sleutel van de portiekdeur noch van de voordeur van de woning. De stelling van appellant dat [woningcorporatie] de sloten heeft vervangen is bij navraag door het college door de woningcorporatie ontkend. Dat appellant ingeschreven stond op adres X en daar een woning huurde kan evenmin tot de conclusie leiden dat hij op dat adres hoofdverblijf had. Aan de inschrijving in de BRP komt bij de beantwoording van de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft geen doorslaggevende betekenis toe. De stelling van appellant dat de situatie genuanceerder ligt dan het college op basis van de feiten heeft aangenomen is op geen enkele wijze onderbouwd en kan alleen al daarom niet tot een ander oordeel leiden. Aanvraag 2 augustus 2023 4.11. De te beoordelen periode loopt van 10 juli 2023 tot en met 28 juli 2023. 4.12. Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag om bijstand ten grondslag gelegd dat appellant door niet te verschijnen op de uitnodiging voor een gesprek op 21 augustus 2023 de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting niet is nagekomen. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. 4.13. Appellant heeft aangevoerd dat hij de uitnodiging voor het gesprek op 21 augustus 2023 heeft gemist en dat sprake is van miscommunicatie. Deze beroepsgrond slaagt niet. 4.13.1. Niet in geschil is dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging voor het gesprek op 21 augustus 2023 en ook nadien geen contact met het college heeft opgenomen. De uitnodiging voor dit gesprek is op 18 augustus 2023 persoonlijk door de consulent Handhaving en Fraude op het adres van appellant bezorgd. In deze brief wordt duidelijk vermeld dat appellant in het kader van zijn aanvraag om bijstand wordt uitgenodigd voor een gesprek op 21 augustus 2023 om 9.00 uur. Daarbij is aangegeven dat appellant een nieuwe afspraak dient te maken als hij op de vermelde datum niet kan komen. Op basis van deze informatie wordt appellant niet gevolgd in zijn stelling dat sprake is geweest van miscommunicatie. Dat appellant de uitnodiging niet tijdig zou hebben gelezen, komt voor zijn rekening en risico. Het bijstandsverlenend orgaan mag er in beginsel van uitgaan dat post die in de brievenbuis van het woonadres van de betrokkene wordt gedaan met een uitnodiging voor een gesprek, de betrokkene tijdig bereikt en dat hij aan die uitnodiging gevolg kan geven of om uitstel kan verzoeken. Het niet verschijnen op het gesprek levert in ieder geval een schending van de medewerkingsverplichting op. 4.14. Appellant heeft verder aangevoerd dat het college over voldoende relevante gegevens beschikte om het recht op bijstand te beoordelen. Voor zover appellant hiermee heeft willen aanvoeren dat het recht op bijstand ondanks de schending van de medewerkingsverplichting kan worden vastgesteld, slaagt deze beroepsgrond niet. Hiervoor is het volgende van belang. 4.14.1. Naar aanleiding van de eerdere aanvragen van appellant bestond bij het college onder meer onduidelijkheid over de woon- en financiële situatie van appellant. Het college wilde appellant hierover terecht bevragen, maar appellant heeft hieraan geen medewerking gegeven. Als gevolg daarvan kon het college het recht op bijstand niet vaststellen en is de aanvraag terecht afgewezen. Conclusie en gevolgen 4.15. De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat afwijzing van de aanvragen om bijstand en de terugvordering van het voorschot in stand blijven. 5. Omdat de hoger beroepen niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken. Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026. (getekend) J.T.H. Zimmerman (getekend) M.G.J. van Eck Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Participatiewet Artikel 11 1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege. […] Artikel 17 1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. 2. De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. […] Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1199.