Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-08-25
ECLI:NL:CRVB:2026:1089
Afwijzing aanvraag om algemene bijstand en bedrijfskapitaal. Deskundigenadvies. Onderneming niet levensvatbaar. Contra-advies. Het rapport van het IMK, voor zover daarin staat dat zonder marktonderzoek onder consumenten niet kan worden beoordeeld of voor het door appellant beoogde concept daadwerkelijk voldoende belangstelling bestaat, en daarmee of het bedrijf levensvatbaar is, is voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. Anders dan appellant heeft betoogd, biedt het contra-advies onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel hieraan. Daarbij is van belang dat ook in het contra-advies staat dat het uitvoeren van een marktonderzoek onder consumenten wenselijk is en daarin op zich niet wordt weersproken dat het voorgeschreven is om de levensvatbaarheid te kunnen vaststellen. 24/2682 BBZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 oktober 2024, 24/3779 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 25 augustus 2026 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de afwijzing van een aanvraag om algemene bijstand en bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat de onderneming van appellant naar verwachting niet levensvatbaar is. Het college baseert zich daarbij op een rapport van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK). Appellant heeft aangevoerd dat zijn onderneming wel levensvatbaar is en dat nader onderbouwd met een contra-advies. De Raad is het met het college eens. Het contra-advies bevat onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van het advies van het IMK. Het hoger beroep van appellant slaagt niet. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. G.A. Verhoeven, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere reacties en stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verhoeven. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Hielkema en R. de Vries. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant ontvangt sinds 2008 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Appellant is sinds 2017 bezig om als ondernemer een bedrijf op te starten en heeft zowel in februari 2017 als oktober 2019 een aanvraag ingediend om algemene bijstand en bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004. Het college heeft beide aanvragen afgewezen. 1.2. Op 23 februari 2023 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend om algemene bijstand en bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004. Appellant heeft daarbij onder meer een ondernemingsplan overgelegd, waaruit het voornemen blijkt om met zijn bedrijf een facilitair online platform op te zetten. Op dit platform worden in opdracht van bedrijven kleine promotionele kansspelacties voor deelnemers georganiseerd met een nieuw voetbalkansspelformat, waaraan tegen betaling kan worden deelgenomen. 1.3. De aanvraag is namens het college behandeld door het Regionaal Bureau Zelfstandigen te Rotterdam (RBZ). Naar aanleiding van de aanvraag heeft het RBZ advies gevraagd aan het IMK. In een advies van 17 april 2023 heeft het IMK het RBZ geadviseerd de aanvraag af te wijzen, omdat het bedrijf niet levensvatbaar wordt geacht. Het IMK acht de taakstellende omzet niet haalbaar. Het basisidee onder de beoogde bedrijfsopzet is volledig gebaseerd op de verwachtingen van appellant. Een deugdelijk marktonderzoek onder consumenten en bedrijven ontbreekt. Volgens het IMK bestaat daardoor onvoldoende inzicht in de marktvraag en kan niet worden beoordeeld of voor het door appellant beoogde bedrijfsconcept voldoende afzetmogelijkheden bestaan om een toereikend inkomen te verwerven. Daarnaast heeft appellant geen ervaring met online marketing, ontbreekt een gefundeerd marketingplan en is het promotiebudget te klein voor de zichtbaarheid van de onderneming in de uitermate competitieve omgeving waarin het zou opereren. 1.4. Met een besluit van 24 mei 2023 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. 1.5. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 mei 2023 en heeft in de bezwaarprocedure onder meer een contra-advies van Crossing Limits Business Planning (Crossing Limits) van 16 oktober 2023 ingebracht. Op grond van dit advies is het bedrijf van appellant wel levensvatbaar. Volgens Crossing Limits heeft het IMK in het advies van 17 april 2023 een aantal onjuiste uitgangspunten gehanteerd. Met een brief van 4 december 2023 heeft het IMK gereageerd op het ingebrachte contra-advies. Volgens het IMK is geen sprake van nieuwe informatie die een heroverweging van het advies van 17 april 2023 rechtvaardigt. Met een brief van 14 december 2023 heeft Crossing Limits hier weer op gereageerd. Na de hoorzitting in bezwaar heeft er nog een schriftelijke uitwisseling van standpunten van het IMK en Crossing Limits plaatsgevonden. 1.6. Met een besluit van 29 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 24 mei 2023 gehandhaafd onder verwijzing naar het advies van het IMK. Het college heeft hierbij het door appellant ingebrachte contra-advies en de nadere reacties betrokken. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om algemene bijstand en bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. Tussen partijen is in geschil of het bedrijf van appellant levensvatbaar is in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. Het gaat hier om een aanvraag. Het ligt daarom op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. 4.2. Een bedrijf of zelfstandig beroep is levensvatbaar als de zelfstandige daaruit naar verwachting na bijstandverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overig inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dat staat in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. Het inkomen zal dus toereikend moeten zijn om alle aflossingsverplichtingen na te komen, het bedrijf op peil te houden en te voorzien in de kosten van het bestaan. 4.3. Een bijstandverlenende instantie kan zich over de levensvatbaarheid van een bedrijf laten adviseren door een deskundige instantie als het IMK en zijn besluitvorming baseren op het advies van deze instantie daarover. Het college mag daarom bij de besluitvorming afgaan op het advies van het IMK, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of aan de inhoud daarvan. Dit volgt uit vaste rechtspraak. 4.4. Het IMK heeft in het advies geconcludeerd dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar wordt geacht. De geschetste verwachtingen van appellant zijn gebaseerd op aannames. De belangrijkste conclusie van het IMK is dat de taakstellende prognose niet haalbaar wordt geacht omdat een deugdelijk marktonderzoek onder consumenten en bedrijven ontbreekt. Volgens het IMK bestaat daardoor onvoldoende inzicht in de marktvraag en kan niet worden beoordeeld of voor het door appellant beoogde bedrijfsconcept voldoende afzetmogelijkheden bestaan om een toereikend inkomen te verwerven. 4.5. Appellant heeft aangevoerd dat er concrete aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de inhoud van het advies van het IMK gelet op het door hem ingebrachte contra-advies van Crossing Limits. Over het ontbreken van een marktonderzoek heeft Crossing Limits in het advies geschreven dat appellant zijn bedrijf inmiddels wel heeft getest aan de markt voor zover het de kant van bedrijven betreft, door negen intentieverklaringen van bedrijven aan te leveren. Over het ontbrekende marktonderzoek naar consumenten heeft Crossing Limits geschreven dat dit onderzoek in dit geval niet haalbaar of realistisch is. Een dergelijk onderzoek zou namelijk heel kostbaar zijn. Gezien de populariteit van andersoortige platforms is het gebrek aan dit onderzoek volgens Crossing Limits ook een minder relevant afwijspunt. Appellant heeft verder aangevoerd dat het rapport onzorgvuldig is omdat de taakstellende exploitatie te hoog is vastgesteld. De benodigde omzet om levensvatbaar te zijn is veel lager. Dit volgt ook uit het rapport van Crossing Limits. Appellant heeft tot slot en voor zover nodig verzocht om inschakeling van een deskundige. 4.5.1. De Raad acht het rapport van het IMK, voor zover daarin staat dat zonder marktonderzoek onder consumenten niet kan worden beoordeeld of voor het door appellant beoogde concept daadwerkelijk voldoende belangstelling bestaat, en daarmee of het bedrijf levensvatbaar is, voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. Anders dan appellant heeft betoogd, biedt het contra-advies van Crossing Limits onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel hieraan. Daarbij is van belang dat ook in het contra-advies van Crossing Limits staat dat het uitvoeren van een marktonderzoek onder consumenten wenselijk is en daarin op zich niet wordt weersproken dat het voorgeschreven is om de levensvatbaarheid te kunnen vaststellen. Dat volgens Crossing Limits een dergelijk onderzoek in dit geval en alleen vanwege de kosten niet van appellant kan worden verlangd, leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat het verrichten van een marktonderzoek kosten met zich brengt, die gelet op de aard van het bedrijfsconcept en het in verband daarmee benodigde soort marktonderzoek mogelijk fors zijn, laat onverlet dat appellant aannemelijk moet maken dat zijn bedrijf levensvatbaar is en daarvoor een marktonderzoek nodig is. Ook de stelling van appellant dat winacties in algemene zin populair zijn en dat daarom een onderzoek in zijn geval overbodig zou zijn, wordt niet gevolgd. Dat winacties populair zijn betekent nog niet dat er naar het specifieke concept van appellant, waarbij voor deelnemers aan de winacties ook kosten verbonden zijn, vraag zal zijn. Dit betreffen aannames. De eigen verwachting van de betrokkene over de te behalen omzet van het bedrijf is op zichzelf niet voldoende voor het aannemen van de levensvatbaarheid van het bedrijf en dus ook niet voor het toekennen van bijstand of bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004. Dit is vaste rechtspraak. 4.6. Gelet op wat onder 4.5.1 is overwogen heeft appellant alleen al vanwege het ontbreken van een marktonderzoek onder consumenten niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Het college mocht aan de afwijzing van de aanvraag het advies van het IMK ten grondslag leggen. Dit betekent dat de gronden van appellant over de intentieverklaringen van bedrijven alsmede over de taakstellende exploitatie onbesproken kunnen blijven. Voor het inschakelen van een deskundige bestaat geen aanleiding. Conclusie en gevolgen 4.7. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een bijstand op grond van het Bbz 2004 voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en bedrijfskapitaal in stand blijft. 5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. Appellant krijgt ook geen vergoeding voor de kosten van het contra-advies. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal als voorzitter en A. Hoogenboom en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van W.B. Eefting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026. (getekend) E.C.E. Marechal (getekend) W.B. Eefting Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…) c. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Artikel 2 1. Algemene bijstand kan worden verleend aan: a. de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is; (…) 2. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c van het eerste lid. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4314. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2629. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 augustus 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU0939 en de uitspraak van 16 oktober 2012, ECLI:NL:2012:BY0341.