Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-08-06
ECLI:NL:CRVB:2026:1066
Afwijzing verzoek om schadevergoeding. Het Uwv heeft aan de werkgever ten onrecht geen loonsanctie opgelegd. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden. 23/2251 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2023, 19/3046 (aangevallen uitspraak) Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 6 augustus 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, het Uwv schade moet vergoeden doordat het Uwv ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd aan de werkgever van verzoeker. De Raad is van oordeel dat het Uwv het schadevergoedingsverzoek van verzoeker terecht heeft afgewezen. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak, gevoegd met de zaken 23/2482 WIA en 26/109 WIA, behandeld op een zitting van 18 mei 2026. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn zoon [naam zoon] en mr. O. Labordus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaken 23/2482 WIA en 26/109 WIA wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Verzoeker heeft voor het laatst gewerkt als senior procesoperator voor 33,56 uur per week bij [naam B.V.] ( [naam B.V.] ). Op 3 november 2014 heeft hij zich ziekgemeld voor dit werk. Bij besluit van 5 januari 2017 heeft het Uwv verzoeker na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 31 oktober 2016 een WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij heeft het Uwv vastgesteld dat werkgever onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht, maar een loonsanctie niet meer aan werkgever kan worden opgelegd, omdat deze voor het einde van de wachttijd moet worden opgelegd en die periode al verstreken is. 1.2. Bij brief van 22 februari 2019 heeft verzoeker een schadevergoedingsverzoek bij het Uwv ingediend, omdat het Uwv aan de werkgever ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd. 1.3. Bij brief van 23 april 2019 heeft het Uwv het schadevergoedingsverzoek van verzoeker afgewezen. Volgens het Uwv is niet gebleken dat verzoeker vanaf 31 oktober 2016 materiële schade heeft geleden. De hoogte van zijn WGA-uitkering bedroeg in de eerste twee maanden van het derde ziektejaar 75% en vanaf de derde maand 70% van zijn WIA-maandloon. Dat verzoeker recht zou hebben gehad op meer loon volgt niet uit de door hem aangevoerde collectieve arbeidsovereenkomst (cao) voor AkzoNobel bedrijven in Nederland. Verzoeker heeft tot 1 mei 2019 recht heeft op een loongerelateerde WIAuitkering. Als hij na deze datum recht heeft op een lagere uitkering, kan hij opnieuw een verzoek om schadevergoeding indienen. Verder is schade als gevolg van ontslag volgens het Uvw niet aannemelijk gemaakt. Bovendien is het rechtstreeks verband tussen die schade en het niet opleggen van de loonsanctie niet gebleken. Ook is er volgens het Uwv geen aanleiding om immateriële schade te vergoeden. Niet gebleken is dat verzoeker door het niet opleggen van de loonsanctie zo heeft geleden dat er psychische schade is ontstaan. Ook is zijn eer en goede naam niet aangetast. Uitspraak van de rechtbank 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek van verzoeker om een schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft vooropgesteld dat vaststaat dat het Uwv ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd, dat de onrechtmatigheid van dit nalaten een gegeven is en het Uwv daarom in beginsel tegenover verzoeker schadeplichtig is. Verzoeker heeft gesteld dat hij door het niet opleggen van de loonsanctie inkomsten is misgelopen en dat daarmee ook zijn ontslag mogelijk is gemaakt. De rechtbank heeft overwogen dat bij loonschade als uitgangspunt geldt dat er een rechtstreeks verband is tussen het niet ontvangen loon dat een werkgever had moeten betalen en het nalaten van een loonsanctie. Als loonschade van verzoeker wordt aangemerkt, het verschil tussen de netto-uitkering die verzoeker in het derde ziektejaar heeft ontvangen en het nettoloon waarop verzoeker in het derde ziektejaar aanspraak had kunnen maken. Vaststaat dat verzoeker in de periode vanaf 31 oktober 2016 een WGA-uitkering heeft ontvangen ter hoogte van eerst 75% en later 70% van het WIA-maandloon. Wat betreft het nettoloon waarop verzoeker in het derde ziektejaar aanspraak had kunnen maken, heeft hij gewezen op artikel 11, lid 11.3.1. (lees: artikel 11.3.1.) van de cao voor AkzoNobel bedrijven in Nederland. Die bepaling luidt als volgt: Een werknemer heeft gedurende maximaal een aaneengesloten (of daarmee wettelijk gelijkgestelde) periode van 24 maanden recht op een aanvulling op het wettelijk ziekengeld tot 100% van het jaarinkomen voorafgaand aan de eerste ziektedag. Uit deze bepaling volgt niet dat verzoeker in het derde ziektejaar recht had op meer dan 70% van het WIAmaandloon. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij in het derde ziektejaar loonschade heeft geleden. Verzoeker heeft aangevoerd dat AkzoNobel zijn arbeidsovereenkomst kon ontbinden, omdat het Uwv ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd. Ter onderbouwing van zijn schade heeft verzoeker gewezen op artikel 11.4.12 (lees:11.4.2) van de cao. Deze bepaling bevat een regeling over de aanvulling door de werkgever op een IVA-uitkering. Maar op grond van deze bepaling valt niet in te zien op welke wijze verzoeker schade zou hebben geleden. Het Uwv heeft terecht gesteld dat verzoeker bij een loonsanctie recht zou hebben op loondoorbetaling in het derde ziektejaar en dat hij alleen al om die reden dus geen recht zou hebben op een IVA-uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden door ontslag, die voor vergoeding in aanmerking komt. Voor zover verzoeker heeft gesteld dat hij een meer of minder psychisch onbehagen ervaart en zich gekwetst voelt omdat het Uwv ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd, zijn die omstandigheden onvoldoende voor schadevergoeding. Verzoeker heeft ook niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat hij is aangetast in zijn eer en goede naam of op een andere manier in zijn persoon. Het standpunt van verzoeker 3. Verzoeker is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het verzoek van verzoeker om schadevergoeding heeft afgewezen aan de hand van wat verzoeker in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 5.1. Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. 5.2. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW), vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. 5.3. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een overheidslichaam dat een besluit neemt dat naderhand door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met een wettelijke bepaling, een onrechtmatige daad begaat jegens degene die door dat besluit wordt getroffen. Daarmee is de schuld van het overheidslichaam in beginsel gegeven. 5.4. In deze zaak is niet in geschil dat het Uwv aansprakelijk is voor schade die verzoeker als werknemer door het – door het Uwv erkende: onrechtmatige – besluit van 5 januari 2017 heeft geleden. Anders dan appellant meent is de Raad echter niet bevoegd te oordelen over de schade die – volgens appellant – is veroorzaakt door de deskundigenoordelen van 18 maart 2016 en 7 april 2016, waarin het Uwv heeft gesteld dat appellant onvoldoende meewerkt aan zijn integratie vanwege het niet meewerken aan een door de bedrijfsarts geadviseerd belastbaarheidsonderzoek bij Ergatis, respectievelijk de reintegratie inspanningen van de werkgever als voldoende zijn beoordeeld. Een deskundigenoordeel is naar vaste rechtspraak geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat verzoeker zich ter zake van deze gestelde schade tot de burgerlijke rechter dient te wenden. De Raad dient zich in deze zaak daarom te beperken tot de vraag of, en zo ja: tot welk bedrag, er door verzoeker schade is geleden als rechtstreeks gevolg van het besluit van 5 januari 2017. 5.5. Als beginsel geldt dat de schadevergoeding verzoeker zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Dat beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is, met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Uit de uitspraak van 9 december 2015 volgt dat het Uwv, als ten onrechte geen loonsanctie aan een werkgever is opgelegd, gehouden is de daarmee verband houdende schade aan de werknemer te vergoeden over in beginsel een periode van 52 weken. Dat betekent dat moet worden bezien wat de (financiële) situatie van verzoeker zou zijn geweest als het Uwv aan zijn werkgever over de periode van 31 oktober 2016 tot en met 30 oktober 2017 wel een loonsanctie had opgelegd. De loonschade bestaat uit het verschil tussen het nettoloon waarop verzoeker in dat geval van 31 oktober 2016 tot en met 30 oktober 2017 aanspraak had kunnen maken en de door verzoeker in die periode ontvangen netto-inkomsten. 5.6. Wat verzoeker hierover in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Loonschade 5.7. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat verzoeker over de periode van 31 oktober 2016 tot en met 30 oktober 2017 een loonvervangende WGA-uitkering heeft ontvangen, die (ten minste) gelijk is aan hetgeen verzoeker in het derde ziektejaar van zijn werkgever aan loon zou hebben ontvangen. Ook in hoger beroep heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij in het derde ziektejaar loonschade heeft geleden. Schade door ontslag 5.8. Ook in hoger beroep heeft verzoeker niet onderbouwd dat – en tot welke bedragen – hij als gevolg van de ontbinding van zijn dienstverband per 1 april 2017 schade zou hebben geleden. De stelling van verzoeker dat hij in het derde ziektejaar wellicht had kunnen hervatten in een andere functie binnen het Akzo-concern als er door het Uwv een loonsanctie was opgelegd, acht de Raad onvoldoende onderbouwd. In de door verzoeker in hoger beroep overgelegde beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 november 2017 is over de door de kantonrechter per 1 april 2017 uitgesproken ontbinding van de arbeidsovereenkomst geoordeeld, dat het bestaande verschil van inzicht tussen verzoeker en zijn werkgever over het door AkzoNobel gevoerde veiligheidsbeleid tot een ernstig verstoorde arbeidsverhouding heeft geleid en dit in de weg staat aan herplaatsing van verzoeker in een vergelijkbare functie binnen andere Akzo-vestigingen. Overige materiële schade 5.9. Over de geclaimde schade in de vorm van niet afgedragen pensioenpremie en niet uitgekeerde winstdeling in het derde ziektejaar heeft het Uwv terecht gesteld dat verzoeker (de omvang van) deze schade tot op heden niet heeft onderbouwd, hoewel hem daarvoor ook in de procedure bij de rechtbank en de Raad ruimschoots de gelegenheid is geboden. Verzoeker kan deze schadeposten – zo heeft het Uwv ter zitting verklaard – desgewenst nader onderbouwen in een nieuw schadeverzoek aan het Uwv. Immateriële schade 5.10. Verzoeker heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade . Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit verzoek niet kan worden toegewezen. 5.11. Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de benadeelde. Verder moet worden bedacht dat in gevallen als deze in de regel wel sprake zal zijn van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit of daarmee gelijk te stellen handeling van een bestuursorgaan. 5.12. Het is aannemelijk dat de al tijdens de re-integratie bij verzoeker ontstane gevoelens van psychisch onbehagen en gekwetstheid, door het niet opleggen van de loonsanctie na afloop van het tweede ziektejaar zijn versterkt. Van een ernstige inbreuk in de levenssfeer of aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, van het BW, die is terug te voeren op het besluit van 5 januari 2017 als zodanig, is de Raad evenwel niet gebleken. Conclusie en gevolgen 5.13. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het Uwv het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt verzoeker geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026. (getekend) E.J.J.M. Weyers (getekend) G.T. Hunsel Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446 en van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BE9369, BE9370 en BE9388. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3619. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539 en de uitspraak van 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4248. CRvB 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4248. Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 26 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3169.