Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-08-05
ECLI:NL:CRVB:2026:1043
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat verzoekster niet in aanmerking komt voor export van haar Wajong-uitkering. Volgens verzoekster heeft het Uwv ten onrechte geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De Raad volgt dit standpunt en komt tot het oordeel dat het Uwv het verzoek van verzoekster om export van haar Wajong-uitkering ten onrechte heeft afgewezen. Omdat het beëindigen van de Wajong-uitkering in het geval van verzoekster zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, als bedoeld in artikel 3:19, tiende lid, van de Wajong en artikel 2 van de Beleidsregels, ligt een toewijzing van het verzoek in de rede. Gelet op artikel 4 van de Beleidsregels betekent dit dat het Uwv in een besluit aan verzoekster bekend dient te maken dat het de bevoegdheid om af te wijken van het exportverbod ten gunste van verzoekster zal uitoefenen indien zij binnen de termijn van één jaar buiten Nederland zal gaan wonen. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/1556 WAJONG, 26/489 WAJONG-VV Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 juli 2025, 24/6098 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om een voorlopige voorziening. Partijen: [verzoeksters] te [woonplaats] (verzoekster) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 5 augustus 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat verzoekster niet in aanmerking komt voor export van haar Wajong-uitkering. Volgens verzoekster heeft het Uwv ten onrechte geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De Raad volgt dit standpunt en komt tot het oordeel dat het Uwv het verzoek van verzoekster om export van haar Wajong-uitkering ten onrechte heeft afgewezen. PROCESVERLOOP Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 mei 2026 door middel van beeldbellen. Verzoekster is verschenen, vergezeld door haar begeleidster [naam begeleidster] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.C.A.M. Brouwers-Weterings. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek voortgezet op een zitting van 16 juli 2026. Verzoekster is door middel van beeldbellen verschenen, wederom vergezeld door haar begeleidster. Het Uwv heeft zich opnieuw laten vertegenwoordigen door mr. BrouwersWeterings. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van de zaak zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Aan verzoekster is met ingang van 25 juni 1999 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend. Vastgesteld is dat verzoekster geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en dat dit een blijvende situatie is. 1.2. Bij brief van 26 juli 2022 heeft verzoekster met een beroep op de hardheidsclausule het Uwv verzocht haar Wajong-uitkering te mogen meenemen (exporteren) bij een verhuizing naar Portugal. Bij besluit van 9 augustus 2022 heeft het Uwv bepaald dat verzoekster haar Wajong-uitkering niet mag exporteren naar Portugal. Bij besluit van 7 februari 2023 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het exportverbod gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft verzoekster geen beroep ingesteld. 1.3. Bij brief van 13 september 2023 heeft verzoekster met een beroep op de hardheidsclausule het Uwv verzocht haar Wajong-uitkering te mogen meenemen (exporteren) bij een verhuizing naar een warmer land. Bij besluit van 26 september 2023 heeft het Uwv bepaald dat verzoekster haar Wajong-uitkering niet mag exporteren naar het buitenland. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat de door verzoekster naar voren gebrachte redenen om naar het buitenland te willen verhuizen geen aanleiding geven om de hardheidsclausule toe te passen. 1.4. Bij besluit van 30 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het exportverbod gehandhaafd. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. In bezwaar heeft verzoekster Spanje als beoogd land genoemd. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft – voor zover hier van belang – het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft het Uwv daarnaast veroordeeld tot vergoeding van griffierecht. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat zich niet één van de in de Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland (de Beleidsregels) genoemde situaties voordoet. Partijen zijn verdeeld over de vraag of er voor verzoekster (anderszins) een noodzaak is om in Spanje te wonen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een medische noodzaak voor verzoekster, op objectieve en dwingende gronden, om te verhuizen naar Spanje. Het standpunt van verzoekster 3. Verzoekster is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Daartoe heeft zij aangevoerd dat er voor haar zwaarwegende redenen zijn om naar Spanje te verhuizen en dat het Uwv bij zijn onderzoek heeft nagelaten informatie op te vragen bij de behandelend artsen. Verzoekster verblijft met enige regelmaat periodes in Spanje en ervaart daar in veel mindere mate fysieke en psychische klachten. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, als tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 5.1. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze situatie zich in dit geval voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. 5.2. De voorzieningenrechter beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering om de Wajong-uitkering te exporteren in stand heeft gelaten aan de hand van wat verzoekster in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.3. In artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong is bepaald dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Het Uwv kan dit zogeheten exportverbod op grond van het tiende lid van dit artikel (de zogeheten hardheidsclausule) buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 5.4. In artikel 2 van de Beleidsregels staat dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard indien de jonggehandicapte naar het oordeel van het Uwv zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het eindigen van het recht op arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen om buiten Nederland te gaan wonen worden in ieder geval aangemerkt: a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur; b. het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief; c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen. 5.5. In de toelichting bij de Beleidsregels is onder meer vermeld dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast en er ook andere dan de drie hiervoor genoemde situaties grond kunnen opleveren voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen beoordeeld worden of de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en of het beëindigen van de uitkering voor hem een aanmerkelijk nadeel zal betekenen. 5.6. Gelet op de gedingstukken is bij verzoekster sprake van complexe en meervoudige medische problematiek, als gevolg waarvan zij ernstige lichamelijke klachten als ook angst-, spannings- en paniekklachten heeft. Het dagelijks functioneren van verzoekster is hierdoor aanzienlijk beperkt, waarbij de behandeling van de psychische klachten voornamelijk is gericht op stabilisatie en het voorkomen van verdere achteruitgang. 5.7. Verzoekster heeft haar standpunt, dat sprake is van zwaarwegende omstandigheden als bedoeld in de Beleidsregels, onderbouwd met informatie van haar neuroloog, orthopeed en vasculair cardioloog. In hoger beroep is daarnaast een brief van 3 juni 2026 van het behandelteam van Memphys GGZ ingebracht, dat verzoekster de laatste jaren voor haar psychische klachten behandelt. Volgens het behandelteam hebben de periodes die verzoekster gedurende de afgelopen tijd in Spanje heeft verbleven, een duidelijke en aantoonbare verbetering tot gevolg gehad in zowel het lichamelijk als psychisch functioneren van verzoekster. Door het warmere en stabielere klimaat worden minder lichamelijke klachten ervaren, waardoor lichamelijke spanningen, pijnklachten en migraineklachten zijn afgenomen. Op psychisch gebied ziet het behandelteam een duidelijk positieve ontwikkeling, omdat de lichamelijke klachten tijdens het verblijf in Spanje minder op de voorgrond aanwezig zijn en verzoekster daardoor psychisch aanzienlijk minder lijdt onder haar gezondheidssituatie. In contactmomenten komt verzoekster stabieler over en maakt zij een meer evenwichtige indruk. Ook is sprake van een forse vermindering van medicatiegebruik. Tijdens observaties is de geconstateerde verbetering volgens het behandelteam daadwerkelijk zichtbaar en vormen de afname van klachten, de verbetering van de belastbaarheid, het verminderde psychisch lijden en het wegvallen van medicatiegebruik daartoe concrete aanwijzingen. De duidelijk positieve effecten van het verblijf in Spanje hebben ook gevolgen voor de mate van ondersteuning die verzoekster vanuit Memphys nodig heeft. 5.8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is met deze bevindingen van het behandelteam van Memphys – anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt – voldoende onderbouwd dat door haar verblijf in Spanje bij verzoekster een aanzienlijke vermindering van lichamelijk en psychisch lijden optreedt. Anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt, is deze verbetering niet (uitsluitend) gebaseerd op de eigen subjectieve ervaringen van verzoekster, maar berust deze op concrete observaties van het medisch behandelteam en op de aanzienlijke vermindering van medicatie en ondersteuningsbehoefte. 5.9. Mede gelet op de in de brief van 3 juni 2026 door Memphys geschetste kwetsbaarheid van verzoekster en de lange en ernstige gezondheidsproblematiek, acht de voorzieningenrechter geen andere uitkomst denkbaar dan dat het Uwv – bij een juiste weging van de relevante feiten en omstandigheden – tot het oordeel komt dat zich in het geval van verzoekster zwaarwegende omstandigheden voordoen om buiten Nederland te gaan wonen. Voor de voorzieningenrechter is voorts voldoende aannemelijk geworden dat de suggestie van het Uwv, dat verzoekster in Nederland kan blijven wonen en jaarlijks kan overwinteren in Spanje, voor verzoekster praktisch en financieel niet haalbaar is. 5.10. Het eindigen van de Wajong-uitkering als verzoekster in Spanje gaat wonen, zal voor haar voorts een aanmerkelijk nadeel betekenen, omdat zij geen mogelijkheden heeft om in Spanje op andere wijze dan door middel van haar Wajong-uitkering in inkomen te voorzien. Omdat het beëindigen van de Wajong-uitkering in het geval van verzoekster zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, als bedoeld in artikel 3:19, tiende lid, van de Wajong en artikel 2 van de Beleidsregels, ligt een toewijzing van het verzoek in de rede. Gelet op artikel 4 van de Beleidsregels betekent dit dat het Uwv in een besluit aan verzoekster bekend dient te maken dat het de bevoegdheid om af te wijken van het exportverbod ten gunste van verzoekster zal uitoefenen indien zij binnen de termijn van één jaar buiten Nederland zal gaan wonen. Conclusie en gevolgen 5.11. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevochten. De voorzieningenrechter zal het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De voorzieningenrechter zal het Uwv opdracht geven om – met inachtneming van wat hiervoor is overwogen – binnen zes weken opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 26 september 2023 te beslissen. De Raad ziet tevens aanleiding te bepalen dat tegen deze nieuwe beslissing op bezwaar uitsluitend beroep bij de Raad kan worden ingesteld. Gelet op het feit dat verzoekster heeft aangegeven per 1 oktober 2026 te willen emigreren, is het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van de nieuwe besluitvorming van het Uwv niet nodig en zal het daartoe strekkende verzoek worden afgewezen. 6. Van proceskosten in hoger beroep is niet gebleken. Er is wel aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van verzoekster in beroep, te weten: de reiskosten van € 16,10 voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank. Er is geen aanleiding de in beroep gevorderde verletkosten van € 115,50 te vergoeden, aangezien die kosten niet zijn onderbouwd. 6.1. Verzoekster is in hoger beroep en terzake van het verzoek om een voorlopige voorziening vrijgesteld van betaling van griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten; - verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juli 2024 gegrond en vernietigt dat besluit; - draagt het Uwv op binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat tegen dit besluit uitsluitend beroep bij de Raad kan worden ingesteld; - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. - veroordeelt het Uwv in de kosten van verzoekster in beroep tot een bedrag van € 16,10. Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026. (getekend) E.J.J.M. Weyers (getekend) A.T. Dannenberg