Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-08-05
ECLI:NL:CRVB:2026:1036
Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt. Het hoger beroep slaagt niet. Het Uwv heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant niet onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dat betekent dat het Uwv terecht geen WIAuitkering aan appellant heeft toegekend. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Nu er onvoldoende twijfel bestaat wordt het verzoek om een deskundige te benoemen afgewezen. 25/1876 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 augustus 2025, 25/201 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 5 augustus 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een WIAuitkering toe te kennen omdat hij de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt. Het hoger beroep slaagt niet. Het Uwv heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant niet onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dat betekent dat het Uwv terecht geen WIAuitkering aan appellant heeft toegekend. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.J.P. Cats, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een nader stuk ingediend. De Raad heeft de zaak, gedeeltelijk via beeldbellen, behandeld op een zitting van 24 juni 2026. Appellant is (fysiek) verschenen, bijgestaan door mr. Cats. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.S. Wiltjer. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft zich op 11 oktober 2010 ziek gemeld vanuit de Werkloosheidswet. Vanaf 1 november 2010 heeft hij een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen. Naar aanleiding van een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling is appellant met een besluit van 1 juni 2011 hersteld gemeld voor zijn eigen werk per 8 juni 2011. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 juli 2011 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2012 is het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak in hoger beroep bij uitspraak van 29 mei 2013 bevestigd. 1.2. Op 5 december 2023 heeft appellant een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Bij besluit van 8 december 2023 heeft het Uwv geweigerd appellant een WIAuitkering toe te kennen omdat hij de wachttijd van 104 weken van de Wet WIA niet heeft volbracht, aangezien hij voor het einde van deze periode, namelijk per 8 juni 2011, hersteld is gemeld. 1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 8 december 2023 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 november 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze heeft toegelicht dat de nu gestelde diagnose Non-fearful panic disorder geen ander licht werpt op de klachten die tijdens de hersteldmelding waren gediagnosticeerd als een reguliere paniekstoornis. De nu gestelde diagnose geeft namelijk aan dat de paniekstoornis niet met psychische klachten gepaard gaat, maar zich enkel manifesteert met de lichamelijke klachten die ook bij de reguliere paniekstoornis voorkomen en die bij de beoordeling voorafgaande aan de hersteldmelding reeds bekend waren. Omdat appellant de wachttijd voor de Wet WIA niet heeft volgemaakt komt hij niet in aanmerking voor een WIAuitkering. Het verzoek is dan ook terecht afgewezen. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat met de in 2023 gestelde diagnose Non-fearful panic disorder is gebleken dat de ernst van zijn beperkingen bij de hersteldmelding is onderschat en dat hij vanaf zijn ziekmelding aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest. De verzekeringsarts in 2011 heeft de klachten van appellant niet serieus genomen en met de nu gestelde diagnose is er een onderbouwing voor zijn klachten. Appellant stelt dat sprake is van een progressief ziektebeeld, dat zijn ziekte slecht behandelbaar is en dat sprake is van fysieke klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit niet onderkend. Zo is appellant al lange tijd vrijgesteld van de sollicitatieplicht voor de bijstandsuitkering. Ter zitting heeft appellant de Raad verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIAuitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4.1. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn ook te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. In artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat voordat een verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet voor hem een wachttijd geldt van 104 weken. 4.2. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat de beantwoording van de vraag of de wachttijd is vervuld een zelfstandige beoordeling vereist op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard, waarbij eventuele eerdere hersteldverklaringen, die hebben plaatsgevonden tijdens de wachttijd, betrokken (kunnen) worden. Dit betekent dat aan de hersteldverklaring van appellant per 8 juni 2011 op zichzelf geen doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. 4.3. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een WIAuitkering omdat de wachttijd van 104 weken niet is vervuld. Hiertoe wordt het volgende overwogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, zo volgt uit het rapport van 11 november 2024, onderzocht of er aanleiding is om een ander standpunt in te nemen over de arbeidsongeschiktheid van appellant per 8 juni 2011 en of er binnen vier weken na de hersteldmelding eventueel alsnog sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Na bestudering van informatie van Cavari Clinics IC en verkregen informatie bij de hoorzitting, heeft hij gerapporteerd dat bij appellant recent de diagnose Non-fearful panic disorder is gesteld. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijft een panic disorder een psychiatrisch ziektebeeld ook al gaat die niet gepaard met angst en andere tekenen van psychisch onwelbevinden zoals bij appellant het geval is. Bij de hersteldmelding destijds was de diagnose ‘st na paniekstoornis’, waarover de psychiater op 11 oktober 2011 schreef ‘al negen jaar bestaande paniekstoornis met agorafobie. Nog sterk beperkt in dagelijks functioneren. Mogelijk ook sprake van persoonlijkheidsproblematiek’. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft de nu gestelde diagnostiek aan dat de paniekstoornis niet met klachten van psychisch ongemak gepaard gaat, maar zich louter manifesteert middels lichamelijke klachten (die ook bij de meer reguliere paniekstoornis kunnen horen). De impact van het beeld bij Non-fearful panic disorder is vergelijkbaar met die van een ‘normale’ panic disorder. Vanuit dat perspectief heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanknopingspunten gezien voor twijfel aan de hersteldmelding per 8 juni 2011, noch is er aanleiding om toegenomen arbeidsongeschiktheid aan te kunnen nemen in de vier weken aansluitend. 4.4. In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant heeft weliswaar benadrukt dat Non-fearful panic disorder bij hem gepaard gaat met fysieke klachten, waaronder spierspanning, vermoeidheid en een verhoogde rustbehoefte, maar uit de gedingstukken blijkt dat specifiek deze klachten in 2011 door de verzekeringsarts zijn onderkend en in de beoordeling zijn betrokken. Dat daarbij destijds de ernst van deze klachten is onderschat, volgt de Raad niet. Een enkele later gestelde (nadere) diagnose is daarvoor onvoldoende, nu dit onvoldoende zegt over de ernst van de ervaren klachten en beperkingen in de te beoordelen periode. Ook de verwijzing naar het artikel ‘Non-fearful panic disorder, a variant of panic in medical patients’ maakt dat niet anders. Dat in een algemeen rapport wordt gesproken van een progressief ziektebeeld en een moeilijk te behandelen ziekte, betekent namelijk niet dat hieruit ook volgt dat bij appellant in de vier weken na 8 juli 2011 sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid. 4.5. Nu er onvoldoende twijfel bestaat bij de Raad, wordt het verzoek om een deskundige te benoemen afgewezen. Conclusie en gevolgen 4.6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering een WIAuitkering toe kennen in stand blijft. 5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en G.C. Boot en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026. (getekend) T. Dompeling (getekend) G.T. Hunsel Artikel 23, Wet WIA 1. Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken. 2. Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt. 3. Bij het bepalen van de wachttijd worden de volgende perioden in aanmerking genomen: a. perioden waarin recht bestaat op ziekengeld als bedoeld in de Ziektewet en de daarop berustende bepalingen worden in aanmerking genomen en worden samengeteld, indien zij: 1°. elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of 2°. direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid aansluitende op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak; en b. perioden die niet al op grond van onderdeel a meetellen maar waarin de verzekerde ongeschikt is geweest voor zijn arbeid. Deze perioden worden samengeteld, indien zij: 1°. elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of 2°. direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid aansluitende op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. 4. Met recht op ziekengeld als bedoeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld de situatie dat aan een verzekerde geen ziekengeld wordt betaald als gevolg van de toepassing van de artikelen 19a en 19b van de Ziektewet en de daarop berustende bepalingen. 5. Voor het bepalen van de wachttijd worden niet in aanmerking genomen perioden gedurende welke: a. een uitkering wordt genoten als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onder 2°; b. geen recht op ziekengeld bestond op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de Ziektewet. 6. Op aanvraag van de verzekerde stelt het UWV, in afwijking van het eerste lid, een verkorte wachttijd vast indien de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, en bij de aanvraag artikel 66 in acht is genomen. Een verkorte wachttijd bedraagt ten minste 13 weken en ten hoogste 78 weken. Het einde van een verkorte wachttijd wordt niet eerder vastgesteld dan tien weken na de dag waarop de aanvraag daartoe is ingediend. CRvB 29 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1703. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3938.