Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-08-05
ECLI:NL:CRVB:2026:1017
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep. 25/408 ANW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 februari 2025, 22/4684 Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 5 augustus 2026 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de Svb te veroordelen in de proceskosten. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat de Svb op 13 juni 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen. Daarbij heeft de Svb bepaald dat appellante haar Anw-uitkering behoudt vanaf 1 november 2021. Met dit besluit heeft de Svb aan appellante tevens een vergoeding toegekend van € 647,- voor kosten die zij heeft moeten maken voor de behandeling van haar bezwaar. Aldus is aan appellante tegemoetgekomen. Zoals door de Svb is erkend, komt aan appellante in verband met de behandeling van het bezwaar ook nog een bedrag van € 666,- toe voor het bijwonen van de hoorzitting. Verder heeft de rechtbank de Svb veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarom veroordeelt de Raad de Svb in de kosten voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar en in de in hoger beroep gemaakte kosten. Deze proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 666,- in bezwaar (1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift) met wegingsfactor ‘gemiddeld’. Ook dient de Svb het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.600,-; bepaalt dat de Svb het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026. (getekend) D. Hardonk-Prins (getekend) A. Giesen