Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-07-30
ECLI:NL:CRVB:2026:1003
Hoogte bedrag voor een tegemoetkoming in de meerkosten door chronische ziekte. Geen dwangsom verschuldigd, schadevergoeding afgewezen. Voor een gemeente bestaat er geen verplichting tot het verstrekken van een tegemoetkoming in de meerkosten van mensen met een beperking. Dat in een andere gemeente een hogere vergoeding wordt gegeven maakt niet dat het college dat ook moet doen. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/2525 WMO15, 24/2526 WMO15 Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 november 2024, 23/996 en 23/2338 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 30 juli 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het college terecht een tegemoetkoming meerkosten door chronische ziekte van € 200,- per jaar aan appellant heeft verstrekt over de jaren 2021 en 2022. Appellant vindt dat hij een hogere tegemoetkoming moet krijgen, zoals bijvoorbeeld de tegemoetkoming van de gemeente Amsterdam. Verder vindt appellant dat hij ten onrechte geen dwangsom heeft gekregen en dat hij recht heeft op een schadevergoeding. De Raad volgt de standpunten van appellant niet en is het eens met het oordeel van de rechtbank. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend. Appellant heeft aanvullende gronden ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juli 2026. Appellant is verschenen. Het college is niet verschenen. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband hiermee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Op 30 juni 2022 heeft appellant een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming meerkosten door chronische ziekte voor het jaar 2021. Bij besluit van 13 juli 2022, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 maart 2023 (bestreden besluit 1), heeft het college aan appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor het jaar 2021 een financiële tegemoetkoming van € 200,- voor meerkosten door chronische ziekte verstrekt. 1.2. Op 9 maart 2023 heeft appellant een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming in de meerkosten door chronische ziekte voor het jaar 2022. Bij besluit van 3 april 2023, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2023 (bestreden besluit 2), heeft het college aan appellant op grond van de Wmo 2015 voor het jaar 2022 een financiële tegemoetkoming van € 200,- voor meerkosten door chronische ziekte verstrekt. 1.3. Op 9 maart 2023 heeft appellant het college verzocht om betaling van een dwangsom van € 1.442,-, omdat door het college te laat is beslist op zijn bezwaar van 1 augustus 2022 tegen het besluit van 13 juli 2022 en met verwijzing naar een ingebrekestelling die hij per e-mail van 22 november 2022 heeft verstuurd. Bij besluit van 18 april 2023 heeft het college het verzoek van appellant om toekenning van een dwangsom van € 1.442,- afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 april 2023 heeft het college met toepassing van artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgestuurd aan de rechtbank. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard, geoordeeld dat het college geen dwangsom is verschuldigd en het verzoek van appellant om het college te veroordelen in een schadevergoeding afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het volgende overwogen. Voor een gemeente bestaat er geen verplichting tot het verstrekken van een tegemoetkoming in de meerkosten van mensen met een beperking. De wetgever heeft gemeenten bewust de ruimte gegeven om zelf een politiek-bestuurlijke afweging te maken en heeft als voorwaarde voor de verstrekking van een tegemoetkoming gesteld dat de keuze bij verordening moet worden gemaakt. Door deze beleidsvrijheid kunnen er verschillen ontstaan tussen gemeenten bij het al dan niet verstrekken en de hoogte van de tegemoetkoming. Appellant beschouwt die verschillen als oneerlijk en discriminatoir, maar dat zijn die niet volgens de rechtbank, gelet op die beleidsvrijheid. Aan appellant is op de grond van de gemeentelijke regelgeving de maximale tegemoetkoming van € 200,- verstrekt in 2021 en 2022. Dat in de gemeente Amsterdam een hogere tegemoetkoming kan worden verstrekt van maximaal € 1.095, maakt niet dat het college dat ook moet doen. De ingebrekestelling die appellant per e-mail heeft verstuurd op 22 november 2022, voldoet niet aan de vereisten zoals die in de rechtspraak zijn ontwikkeld, waarbij de rechtbank heeft verwezen naar een uitspraak van de Raad van 4 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1071. Weliswaar heeft appellant in zijn e-mail verwezen naar een bezwaarschrift van 1 augustus 2022, maar hij heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk gemaakt op welk bezwaarschrift die ingebrekestelling betrekking had. Het college ontving veel brieven van appellant en er liepen verschillende bezwaarprocedures van appellant. De e-mail van appellant was naar het algemene e-mailadres van de gemeente gestuurd, waardoor niet duidelijk was binnen welke afdeling het bezwaarschrift in behandeling was. In de e-mail ontbreekt een verdere omschrijving van zijn bezwaarschrift of een zaaknummer. Het college was daarom weliswaar te laat met het nemen van bestreden besluit 1 maar niet in gebreke. De rechtbank is met het college van oordeel dat het college aan appellant geen dwangsom verschuldigd was. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding ter hoogte van het verschil tussen de tegemoetkomingen in de meerkosten van de gemeenten Roermond en Amsterdam afgewezen, omdat de bestreden besluiten 1 en 2 niet onrechtmatig zijn. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep zijn onvrede geuit over het systeem van de Nederlandse rechtspraak en over hoe het college is omgaan met zijn verzoeken en aanvragen. Appellant heeft gevraagd om een eerlijke uitspraak van de Raad. Concrete beroepsgronden tegen de aangevallen uitspraak zijn daarbij moeilijk te duiden. Op de zitting heeft de Raad appellant voorgehouden welke verzoeken de Raad in de stukken leest. Appellant heeft ter zitting bevestigd dat de door de Raad geduide aangelegenheden de kwesties zijn waarover hij een oordeel wil van de Raad. Appellant maakt aanspraak op een tegemoetkoming ter hoogte van de tegemoetkoming die in de gemeente Amsterdam wordt verstrekt en hij verzoekt om schadevergoeding ter hoogte van het verschil met wat hij heeft ontvangen. Tevens verzoekt hij om een vergoeding van immateriële schade omdat sprake is van discriminatie en om het college en de rechtbank te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. Ter zitting heeft appellant betoogd dat het college niet heeft beslist op een ingebrekestelling die zag op zijn aanvraag van 4 februari 2022 en dat het college hem daarom een dwangsom verschuldigd is en hij heeft gronden aangevoerd tegen een uitspraak van de rechtbank van 24 september 2020, 20/1606. Verder wil hij schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Appellant heeft tot slot gesteld dat ten onrechte geen proces-verbaal is opgemaakt van de zitting bij de rechtbank. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de verstrekking van tegemoetkomingen in de meerkosten over de jaren 2021 en 2022 en het afwijzen van het verzoek tot betaling van een dwangsom in stand heeft gelaten en het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen, aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. De Raad verenigt zicht met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe. Tegemoetkoming in de meerkosten en verzoek om schadevergoeding 4.2. De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het college terecht een tegemoetkoming in de meerkosten van € 200,- voor de jaren 2021 en 2022 heeft verstrekt aan appellant. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die in lijn zijn met de rechtspraak van de Raad en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Zoals de rechtbank vervolgens terecht heeft overwogen zijn de bestreden besluiten 1 en 2 niet onrechtmatig en is er daarom geen grondslag voor een schadevergoeding. Het verzoek om schadevergoeding is derhalve terecht afgewezen. Dwangsom 4.3. Appellant heeft in hoger beroep geen duidelijke gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over de afwijzing van de dwangsom. Wat appellant ter zitting heeft aangevoerd ten aanzien van de ingebrekestelling die zag op zijn aanvraag van 4 februari 2022 valt buiten de omvang van deze procedure. Het hoger beroep slaagt daarom in zoverre niet. Overige gronden 4.4. Ook hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de uitspraak van de rechtbank van 24 september 2020, 20/1606, dat een geschil tussen appellant en het college betrof, valt buiten de omvang van deze procedure. Die gronden van appellant slagen daarom niet, evenmin als hetgeen voor het overige naar voren is gebracht. Schadevergoeding redelijke termijn 4.5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. 4.6. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangt door het college op 1 augustus 2022 van het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 13 juli 2022 tot aan deze uitspraak zijn geen vier jaar verstreken. Het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijden van de redelijke termijn wordt daarom afgewezen. Conclusie en gevolgen 4.7. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de besluiten waarbij aan appellant een tegemoetkoming in de meerkosten over de jaren 2021 en 2022 in stand blijven, alsook het besluit waarbij het dwangsomverzoek is afgewezen. De beide verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen. 5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak; wijst de verzoeken om veroordeling tot schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink, als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026. (getekend) C.W.C.A. Bruggeman (getekend) R.R. Olde Engberink Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:17 (oude tekst) 1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. 2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag. 3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. 4. Indien de aanvraag elektronisch kon worden gedaan, is artikel 4:3a van overeenkomstige toepassing op de ingebrekestelling. 5. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op. 6. Geen dwangsom is verschuldigd indien: a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld, b. de aanvrager geen belanghebbende is, of c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is. 7. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Artikel 2.1.7 Wmo 2015 Bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdwet Roermond 2020: Artikel 20. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college kan op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. Het college kan nadere regels stellen over de tegemoetkoming volgens lid 1 van dit artikel. Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Roermond 2020 Artikel 12. Doelgroep en hoogte tegemoetkoming meerkosten 1. Tot de doelgroep behoort een belanghebbende uit een huishouden met een laag inkomen die meerkosten heeft door zijn of haar chronische ziekte. 2. Het college verstrekt op aanvraag één keer per kalenderjaar een tegemoetkoming meerkosten van € 200,- aan de belanghebbende die tot de doelgroep behoort. Artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Artikel 20 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roermond 2020 en artikel 12 van de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond. Zie bijvoorbeeld uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3206. Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.