Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-07-16
ECLI:NL:CRVB:2026:1001
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 23/3459 AW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 november 2023, 22/5018 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister) Datum uitspraak: 16 juli 2026 SAMENVATTING De Raad oordeelt dat de functiebeschrijving in stand blijft. De door appellant verrichte werkzaamheden zijn daarin voldoende tot uitdrukking gebracht. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.W. Wijers hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wijers. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Westra. Tevens was voor de minister aanwezig ir. J.A. Becht (Human Capital Group). OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep. 1.2. Appellant is werkzaam geweest als vastgoeddeskundige en vanaf 2008 als Senior vastgoeddeskundige bij (de rechtsvoorganger van) het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). Het RVB was onderdeel van het Ministerie van Financiën en is in 2012 onderdeel geworden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 1.3. Met een besluit van 19 oktober 2012 heeft de minister de functie van appellant met ingang van 1 november 2012 ingedeeld in het Functiegebouw Rijk (FGR) in de functiefamilie Advisering, functietypering (Senior) Adviseur, Werkveld Fysieke ruimte en Milieu, in schaal 12 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA). Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 1.4. Met een besluit van 24 april 2015 heeft de minister de functie van appellant met terugwerkende kracht tot 1 november 2012 ingedeeld in het FGR in de functiefamilie Project/Programmamanagement, functietypering Projectleider, in schaal 12 van het BBRA. De indeling is gebaseerd op een (nieuwe) beschrijving van het feitelijke samenstel van werkzaamheden, aangezien de werkzaamheden van appellant niet overeenkwamen met de bestaande functiebeschrijving van de functie van Senior vastgoeddeskundige . 1.5. Appellant heeft zijn bezwaar gehandhaafd omdat hij het niet eens is met de beschrijving van het samenstel van werkzaamheden. 1.6. Met een besluit van 19 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het besluit van 24 april 2015 ingetrokken en het samenstel van werkzaamheden met ingang van 1 november 2021 vastgesteld overeenkomstig het advies van functiedeskundige [naam 1] van 25 januari 2021. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat het advies van 25 januari 2021 (ook) voor wat betreft de functiebeschrijving wordt gevolgd, nu dit inzichtelijk, begrijpelijk en consistent is en zorgvuldig tot stand is gekomen. Het genuanceerde beeld dat de leidinggevende van appellant heeft geschetst over de bewegingsvrijheid en zelfstandigheid wordt bevestigd door de functiedeskundige in de beschrijving van de werkomgeving en werkomstandigheden. Hieruit blijkt afdoende de complexiteit van de functie van appellant. Dat de beschrijving van het samenstel van werkzaamheden in het advies van 25 januari 2021 onjuist zou zijn volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om het door appellant overgelegde advies van [naam 2] te