Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-04-09
ECLI:NL:CRVB:2025:972
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,670 tokens
Inleiding
24/1662 WIA
Datum uitspraak: 9 april 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 juni 2024, 22/2470 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 20 oktober 2021 heeft vastgesteld op 33,37%, waardoor hij niet langer in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 oktober 2021 op een juiste wijze heeft vastgesteld.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. C.H.J. Voncken-Crijns, voormalig gemachtigde van appellant, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2025. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als vrachtwagenchauffeur voor gemiddeld 45,52 uur per week. Op 22 februari 2018 heeft hij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten. Hierna is appellant in aanmerking gekomen voor een uitkering op grond van de Ziektewet. Na aanvraag van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is aan appellant per 20 februari 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 35,43%. Bij besluit van 16 september 2020 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv bij besluit van 19 juli 2021 appellant met ingang van 20 oktober 2021 een WGA-vervolguitkering toegekend in de klasse van 35 tot 45%.
1.3.
Bij besluit van 13 september 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de WGA-vervolguitkering van appellant per 14 november 2022 beëindigd, omdat hij per 20 oktober 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 augustus 2022 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 september 2022 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien appellant meer beperkt te achten op de beoordelingspunten conflicthantering (2.8), klantencontact (2.12) en traplopen (4.18) en heeft op 31 augustus 2022 een nieuwe FML (Functionele Mogelijkhedenlijst) opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis hiervan de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 33,37%.
1.4.
In verband met een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft er een herbeoordeling plaatsgevonden. Het Uwv heeft bij besluit van 11 januari 2023 vastgesteld dat appellant per 4 juli 2022 opnieuw recht heeft op een WGA-vervolguitkering in de klasse van 35 tot 45%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, voor zover het ziet op de beëindigingsdatum 14 november 2022 en het bestreden besluit op dat punt vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 11 januari 2023 heeft de rechtbank ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het door appellant betaalde griffierecht.
2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant afziet van medewerking aan de door de rechtbank voorgestelde expertise. Om deze reden is de rechtbank niet overgegaan tot benoeming van een deskundige. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op een zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de psychische en fysieke klachten van appellant zijn onderkend en op een deugdelijke en kenbare wijze zijn betrokken bij de medische beoordeling. Ook hebben de verzekeringsartsen de medische informatie van de behandelend sector kenbaar betrokken in de beoordeling. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen zoals neergelegd in de FML van 31 augustus 2022, geldig per 20 oktober 2021, en 28 december 2022, geldig per 4 juli 2022. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de arbeidsdeskundigen voldoende gemotiveerd waarom de geduide functies passend zijn voor appellant. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant op 20 oktober 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en op 4 juli 2020 38,91% arbeidsongeschikt. Tot slot komt het naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van appellant dat hij geen woonadres door heeft gegeven aan het Uwv, waardoor zijn uitkering niet wordt uitbetaald.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat het Uwv hem ten onrechte per 20 oktober 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt heeft geacht. Volgens appellant heeft het Uwv onvoldoende rekening gehouden met zijn psychische en lichamelijke beperkingen. Het Uwv had in elk geval beperkingen ten aanzien van zelfstandig handelen en handelingstempo, alsmede een urenbeperking moeten aannemen. Appellant stelt tot slot dat zijn WIA-uitkering ten onrechte is opgeschort.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 4 juli 2022 juist is vastgesteld. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 oktober 2021 juist heeft vastgesteld.
4.2.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.3.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant op 20 oktober 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De verzekeringsartsen hebben met de beschikbare medische informatie en op basis van hun eigen waarnemingen voldoende gemotiveerd en onderkend dat bij appellant sprake is van psychische klachten en hiervoor zijn diverse beperkingen aangenomen in de rubrieken 1 en 2 van de FML van 31 augustus 2022. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische stukken overgelegd die onderbouwen dat sprake is van verdergaande beperkingen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 31 augustus 2022 voldoende gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat om een urenbeperking aan te nemen, omdat geen sprake is van een verminderde energetische belastbaarheid. Ook op dit punt heeft appellant geen medische informatie overgelegd die hieraan doet twijfelen.
4.4.
De Raad stelt verder vast dat wat appellant heeft aangevoerd over de opschorting van zijn WIA-uitkering valt buiten de omvang van dit geding, zodat de beroepsgrond hiertegen onbesproken blijft.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 oktober 2021 op de juiste wijze heeft vastgesteld.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van M. Reith als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025.
(getekend) E. Dijt
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Inleiding
24/1662 WIA
Datum uitspraak: 9 april 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 juni 2024, 22/2470 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 20 oktober 2021 heeft vastgesteld op 33,37%, waardoor hij niet langer in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 oktober 2021 op een juiste wijze heeft vastgesteld.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. C.H.J. Voncken-Crijns, voormalig gemachtigde van appellant, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2025. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als vrachtwagenchauffeur voor gemiddeld 45,52 uur per week. Op 22 februari 2018 heeft hij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten. Hierna is appellant in aanmerking gekomen voor een uitkering op grond van de Ziektewet. Na aanvraag van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is aan appellant per 20 februari 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 35,43%. Bij besluit van 16 september 2020 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv bij besluit van 19 juli 2021 appellant met ingang van 20 oktober 2021 een WGA-vervolguitkering toegekend in de klasse van 35 tot 45%.
1.3.
Bij besluit van 13 september 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de WGA-vervolguitkering van appellant per 14 november 2022 beëindigd, omdat hij per 20 oktober 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 augustus 2022 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 september 2022 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien appellant meer beperkt te achten op de beoordelingspunten conflicthantering (2.8), klantencontact (2.12) en traplopen (4.18) en heeft op 31 augustus 2022 een nieuwe FML (Functionele Mogelijkhedenlijst) opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis hiervan de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 33,37%.
1.4.
In verband met een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft er een herbeoordeling plaatsgevonden. Het Uwv heeft bij besluit van 11 januari 2023 vastgesteld dat appellant per 4 juli 2022 opnieuw recht heeft op een WGA-vervolguitkering in de klasse van 35 tot 45%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, voor zover het ziet op de beëindigingsdatum 14 november 2022 en het bestreden besluit op dat punt vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 11 januari 2023 heeft de rechtbank ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het door appellant betaalde griffierecht.
2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant afziet van medewerking aan de door de rechtbank voorgestelde expertise. Om deze reden is de rechtbank niet overgegaan tot benoeming van een deskundige. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op een zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de psychische en fysieke klachten van appellant zijn onderkend en op een deugdelijke en kenbare wijze zijn betrokken bij de medische beoordeling. Ook hebben de verzekeringsartsen de medische informatie van de behandelend sector kenbaar betrokken in de beoordeling. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen zoals neergelegd in de FML van 31 augustus 2022, geldig per 20 oktober 2021, en 28 december 2022, geldig per 4 juli 2022. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de arbeidsdeskundigen voldoende gemotiveerd waarom de geduide functies passend zijn voor appellant. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant op 20 oktober 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en op 4 juli 2020 38,91% arbeidsongeschikt. Tot slot komt het naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van appellant dat hij geen woonadres door heeft gegeven aan het Uwv, waardoor zijn uitkering niet wordt uitbetaald.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat het Uwv hem ten onrechte per 20 oktober 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt heeft geacht. Volgens appellant heeft het Uwv onvoldoende rekening gehouden met zijn psychische en lichamelijke beperkingen. Het Uwv had in elk geval beperkingen ten aanzien van zelfstandig handelen en handelingstempo, alsmede een urenbeperking moeten aannemen. Appellant stelt tot slot dat zijn WIA-uitkering ten onrechte is opgeschort.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 4 juli 2022 juist is vastgesteld. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 oktober 2021 juist heeft vastgesteld.
4.2.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.3.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant op 20 oktober 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De verzekeringsartsen hebben met de beschikbare medische informatie en op basis van hun eigen waarnemingen voldoende gemotiveerd en onderkend dat bij appellant sprake is van psychische klachten en hiervoor zijn diverse beperkingen aangenomen in de rubrieken 1 en 2 van de FML van 31 augustus 2022. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische stukken overgelegd die onderbouwen dat sprake is van verdergaande beperkingen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 31 augustus 2022 voldoende gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat om een urenbeperking aan te nemen, omdat geen sprake is van een verminderde energetische belastbaarheid. Ook op dit punt heeft appellant geen medische informatie overgelegd die hieraan doet twijfelen.
4.4.
De Raad stelt verder vast dat wat appellant heeft aangevoerd over de opschorting van zijn WIA-uitkering valt buiten de omvang van dit geding, zodat de beroepsgrond hiertegen onbesproken blijft.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 oktober 2021 op de juiste wijze heeft vastgesteld.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van M. Reith als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025.
(getekend) E. Dijt
De griffier is verhinderd te ondertekenen.