Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-06-25
ECLI:NL:CRVB:2025:943
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,336 tokens
Inleiding
23/1400 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 maart 2023, 22/2086 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
wijlen [Appellante], in leven laatstelijk gewoond hebbende te Almere (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)
Datum uitspraak: 25 juni 2025
SAMENVATTING
Appellante is overleden. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld.
Het college heeft op 26 september 2024 laten weten dat appellante op [datum] is overleden.
De Raad heeft, gelet op het bepaalde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de Staatscourant van 16 mei 2025 aangekondigd dat de behandeling van de zaak op de zitting van 4 juni 2025 zal plaatsvinden. Van de zijde van de erfgenamen van appellante is niemand ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Piets.
Overwegingen
1. Appellante is op [datum] overleden. Daarmee is haar belang bij de voortzetting van het geding vervallen. Voorafgaand aan de aankondiging in de Staatscourant is aan mr. Wevers gevraagd om de Raad te laten weten of hij weet wie de erven van appellante zijn en of zij de procedure wensen voort te zetten. Mr. Wevers heeft hierop niet concreet geantwoord welke erfgenamen de procedure wensen voort te zetten.
2. Ook na de aankondiging in de Staatscourant hebben zich geen belanghebbenden gemeld met het verzoek als partij aan het geding deel te mogen nemen. Niet is gebleken van erfgenamen die appellante als partij in dit geding zijn opgevolgd en die het geding zouden willen voortzetten.
3. Dit betekent dat er geen procesbelang meer is bij een beoordeling van het hoger beroep. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2025.
(getekend) C.W.C.A. Bruggeman
(getekend) C.K. Teunissen
Staatscourant 2025, 16307.
Inleiding
23/1400 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 maart 2023, 22/2086 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
wijlen [Appellante], in leven laatstelijk gewoond hebbende te Almere (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)
Datum uitspraak: 25 juni 2025
SAMENVATTING
Appellante is overleden. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld.
Het college heeft op 26 september 2024 laten weten dat appellante op [datum] is overleden.
De Raad heeft, gelet op het bepaalde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de Staatscourant van 16 mei 2025 aangekondigd dat de behandeling van de zaak op de zitting van 4 juni 2025 zal plaatsvinden. Van de zijde van de erfgenamen van appellante is niemand ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Piets.
Overwegingen
1. Appellante is op [datum] overleden. Daarmee is haar belang bij de voortzetting van het geding vervallen. Voorafgaand aan de aankondiging in de Staatscourant is aan mr. Wevers gevraagd om de Raad te laten weten of hij weet wie de erven van appellante zijn en of zij de procedure wensen voort te zetten. Mr. Wevers heeft hierop niet concreet geantwoord welke erfgenamen de procedure wensen voort te zetten.
2. Ook na de aankondiging in de Staatscourant hebben zich geen belanghebbenden gemeld met het verzoek als partij aan het geding deel te mogen nemen. Niet is gebleken van erfgenamen die appellante als partij in dit geding zijn opgevolgd en die het geding zouden willen voortzetten.
3. Dit betekent dat er geen procesbelang meer is bij een beoordeling van het hoger beroep. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2025.
(getekend) C.W.C.A. Bruggeman
(getekend) C.K. Teunissen
Staatscourant 2025, 16307.