Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-06-11
ECLI:NL:CRVB:2025:941
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,912 tokens
Inleiding
24/2287 WIA
Datum uitspraak: 11 juni 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2024, 24/1191 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 8 augustus 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M.J. Meijer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 mei 2025. Appellante heeft via een beeld-belverbinding aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door mr. Meijer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als verhuurmakelaar voor 39,77 uur per week. Vervolgens heeft zij een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet. Op 10 augustus 2020 heeft zij zich ziekgemeld. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 juli 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 21 juli 2023 geweigerd appellante met ingang van 8 augustus 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 25 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Appellante is tijdens het spreekuur met de verzekeringsarts bezwaar en beroep lichamelijk en psychisch onderzocht. Informatie van derden is meegenomen in het verslag. Niet is gebleken dat het Uwv iets heeft gemist. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder in beroep de FML aangepast op het punt ‘afwisseling houding’. Voor wat betreft de ADHD van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erkend dat appellante sneller afgeleid zal zijn, maar dat dit niet hoeft te betekenen dat appellante beperkt is ten aanzien van het item ‘aandacht’ op zich. Nu appellante geen medische stukken heeft overgelegd waaruit de noodzaak blijkt voor appellante om meer beperkt te worden geacht voor haar ADHD, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan de juistheid van deze beoordeling te twijfelen. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat appellante desgevraagd ter zitting heeft verklaard voor haar ADHD geen medicatie te gebruiken. Appellante heeft een milde vorm van ADHD. Zij heeft niets concreets aangevoerd op grond waarvan de inschatting van het Uwv over de ADHD alsnog in twijfel zou moeten worden getrokken. De geselecteerde functies sluiten verder aan bij de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de gewijzigde FML in beroep gekeken of sprake moet zijn van gewijzigde functies. Uit het rapport van 15 mei 2024 volgt dat de belasting binnen de aangegeven mogelijkheden blijft. De rechtbank heeft geen reden gezien hieraan te twijfelen. De stelling van appellante dat de functies niet geschikt zijn vanwege haar ADHD, slaagt niet. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat, met name vanwege de diagnose ADHD. Daarnaast is appellante niet in staat de geduide functies uit te voeren. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij in hoger beroep twee brieven overgelegd van haar behandelend psycholoog van 3 april 2025 en 18 april 2025.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en heeft daarnaast met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de in hoger beroep overgelegde brieven van de psycholoog.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak besproken en uiteengezet waarom zij niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
4.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op de brieven van de psycholoog niet bestreden dat de ADHD van appellante met beperkingen gepaard gaat, maar heeft inzichtelijk gemotiveerd dat de in bezwaar aangevulde FML daar in voldoende mate rekening mee houdt. Een psycholoog is daarbij niet specifiek deskundig aangaande de FMLsystematiek en achterliggende definities. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is erkend dat ADHD problemen met zich kan brengen ten aanzien van aandacht en concentratie en/of het gemakkelijker afleidbaar zijn. Appellante is om die reden in de FML ook beperkt geacht voor de items ‘afgeleid worden door activiteiten van anderen’ en ‘veelvuldige storingen en onderbrekingen’. Noch bij de primaire verzekeringsarts, noch in bezwaar bleek dat de aandacht en concentratie bij appellante objectief dermate gestoord was, dat dit in termen van de FML (waarbij een normaalwaarde van een half uur geldt) beperkt zou moeten worden geacht. De psycholoog geeft ook aan dat er bij appellante vooral sprake is van hyperreactiviteit en impulsiviteit en klachten van aandachttekort en verminderd concentratievermogen in lichtere mate aanwezig zijn. Dat het op het eind van de werkdag voor appellante moeilijker wordt de aandacht te behouden, betekent niet dat in termen van de FML sprake is van een beperking op taakgericht werken. Doelgericht handelen ziet in termen van de FML vooral op het zelfstandig functioneren in ADL-activiteiten en nergens blijkt dat appellante hier niet voldoende toe in staat is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan in dit standpunt worden gevolgd.
4.4.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanvullende beperkingen voor de ADHD heeft aangenomen, is ook geen sprake van een overschrijding van de belastbaarheid op dit gebied.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2025.
(getekend) E.J.J.M Weyers
(getekend) J.A. Adjei-Asamoah
Inleiding
24/2287 WIA
Datum uitspraak: 11 juni 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2024, 24/1191 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 8 augustus 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M.J. Meijer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 mei 2025. Appellante heeft via een beeld-belverbinding aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door mr. Meijer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als verhuurmakelaar voor 39,77 uur per week. Vervolgens heeft zij een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet. Op 10 augustus 2020 heeft zij zich ziekgemeld. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 juli 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 21 juli 2023 geweigerd appellante met ingang van 8 augustus 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 25 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Appellante is tijdens het spreekuur met de verzekeringsarts bezwaar en beroep lichamelijk en psychisch onderzocht. Informatie van derden is meegenomen in het verslag. Niet is gebleken dat het Uwv iets heeft gemist. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder in beroep de FML aangepast op het punt ‘afwisseling houding’. Voor wat betreft de ADHD van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erkend dat appellante sneller afgeleid zal zijn, maar dat dit niet hoeft te betekenen dat appellante beperkt is ten aanzien van het item ‘aandacht’ op zich. Nu appellante geen medische stukken heeft overgelegd waaruit de noodzaak blijkt voor appellante om meer beperkt te worden geacht voor haar ADHD, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan de juistheid van deze beoordeling te twijfelen. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat appellante desgevraagd ter zitting heeft verklaard voor haar ADHD geen medicatie te gebruiken. Appellante heeft een milde vorm van ADHD. Zij heeft niets concreets aangevoerd op grond waarvan de inschatting van het Uwv over de ADHD alsnog in twijfel zou moeten worden getrokken. De geselecteerde functies sluiten verder aan bij de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de gewijzigde FML in beroep gekeken of sprake moet zijn van gewijzigde functies. Uit het rapport van 15 mei 2024 volgt dat de belasting binnen de aangegeven mogelijkheden blijft. De rechtbank heeft geen reden gezien hieraan te twijfelen. De stelling van appellante dat de functies niet geschikt zijn vanwege haar ADHD, slaagt niet. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat, met name vanwege de diagnose ADHD. Daarnaast is appellante niet in staat de geduide functies uit te voeren. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij in hoger beroep twee brieven overgelegd van haar behandelend psycholoog van 3 april 2025 en 18 april 2025.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en heeft daarnaast met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de in hoger beroep overgelegde brieven van de psycholoog.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak besproken en uiteengezet waarom zij niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
4.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op de brieven van de psycholoog niet bestreden dat de ADHD van appellante met beperkingen gepaard gaat, maar heeft inzichtelijk gemotiveerd dat de in bezwaar aangevulde FML daar in voldoende mate rekening mee houdt. Een psycholoog is daarbij niet specifiek deskundig aangaande de FMLsystematiek en achterliggende definities. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is erkend dat ADHD problemen met zich kan brengen ten aanzien van aandacht en concentratie en/of het gemakkelijker afleidbaar zijn. Appellante is om die reden in de FML ook beperkt geacht voor de items ‘afgeleid worden door activiteiten van anderen’ en ‘veelvuldige storingen en onderbrekingen’. Noch bij de primaire verzekeringsarts, noch in bezwaar bleek dat de aandacht en concentratie bij appellante objectief dermate gestoord was, dat dit in termen van de FML (waarbij een normaalwaarde van een half uur geldt) beperkt zou moeten worden geacht. De psycholoog geeft ook aan dat er bij appellante vooral sprake is van hyperreactiviteit en impulsiviteit en klachten van aandachttekort en verminderd concentratievermogen in lichtere mate aanwezig zijn. Dat het op het eind van de werkdag voor appellante moeilijker wordt de aandacht te behouden, betekent niet dat in termen van de FML sprake is van een beperking op taakgericht werken. Doelgericht handelen ziet in termen van de FML vooral op het zelfstandig functioneren in ADL-activiteiten en nergens blijkt dat appellante hier niet voldoende toe in staat is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan in dit standpunt worden gevolgd.
4.4.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanvullende beperkingen voor de ADHD heeft aangenomen, is ook geen sprake van een overschrijding van de belastbaarheid op dit gebied.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2025.
(getekend) E.J.J.M Weyers
(getekend) J.A. Adjei-Asamoah