Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-06-24
ECLI:NL:CRVB:2025:921
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,516 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 24 juni 2025
22/2266 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 juni 2022, 21/3027
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Procesverloop
Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Namens betrokkene heeft mr. S. Benayad, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 24 oktober 2024 heeft het college het hoger beroep ingetrokken.
Namens betrokkene heeft mr. Benayad de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Het college heeft aangegeven niet akkoord te gaan met een veroordeling in de proceskosten, aangezien geen sprake is van een onrechtmatig besluit.
In tegenstelling tot wat het college aanvoert, is voor een proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan niet vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit. Van belang is slechts dat de kosten die de andere partij vergoed wil krijgen, redelijkerwijs moeten zijn gemaakt in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter (zie artikel 8:75, eerste lid, eerste volzin, van de Awb). Nu betrokkene kosten heeft moeten maken naar aanleiding van de hoger beroepsprocedure die door het college is gestart, is aan die voorwaarde voldaan.
Gelet hierop wordt het college veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het verweerschrift).
Dictum
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2025.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Inleiding
Datum uitspraak: 24 juni 2025
22/2266 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 juni 2022, 21/3027
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Procesverloop
Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Namens betrokkene heeft mr. S. Benayad, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 24 oktober 2024 heeft het college het hoger beroep ingetrokken.
Namens betrokkene heeft mr. Benayad de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Het college heeft aangegeven niet akkoord te gaan met een veroordeling in de proceskosten, aangezien geen sprake is van een onrechtmatig besluit.
In tegenstelling tot wat het college aanvoert, is voor een proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan niet vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit. Van belang is slechts dat de kosten die de andere partij vergoed wil krijgen, redelijkerwijs moeten zijn gemaakt in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter (zie artikel 8:75, eerste lid, eerste volzin, van de Awb). Nu betrokkene kosten heeft moeten maken naar aanleiding van de hoger beroepsprocedure die door het college is gestart, is aan die voorwaarde voldaan.
Gelet hierop wordt het college veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het verweerschrift).
Dictum
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2025.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen