Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-09
ECLI:NL:CRVB:2025:84
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,616 tokens
Inleiding
23/574 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 januari 2023, 20/6981 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard (college)
Datum uitspraak: 9 januari 2025
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de vraag of de met een schadeverzekeraar gesloten vaststellingsovereenkomst in de weg staat aan verstrekking van maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015. De Raad oordeelt dat dit hier niet het geval is.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.F. Vermaat hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 november 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vermaat en vergezeld door zijn ouders. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Thoen, mr. N. Doran en A.B. Oostrom-de Jong.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1987, heeft op 31 juli 2009 een verkeersongeval gehad. Vanwege de hierdoor ontstane beperkingen heeft het college hem sinds 2010 diverse voorzieningen verstrekt, eerst op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en sinds 2015 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
1.2.
Appellant heeft op 6 juni 2017 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de schadeverzekeraar van de voor het ongeval aansprakelijke partij. In deze overeenkomst is aan appellant tegen finale kwijting een bedrag van € 1.058.800,- toegekend voor de door hem geleden schade.
1.3.
Op 19 februari 2020 heeft appellant zich bij het college gemeld voor verlenging en uitbreiding van de aan hem eerder verleende maatwerkvoorziening voor begeleiding en om een maatwerkvoorziening in de vorm van een nieuwe rolstoel. Op 17 april 2020 heeft appellant hiertoe een aanvraag gedaan.
1.4.
Met een besluit van 7 mei 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 oktober 2020 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op eigen kracht de beperkingen heeft weggenomen. Hij kan daarom geen aanspraak meer maken op een maatwerkvoorziening. Ook als de betreffende schade niet is meegenomen in het schadebedrag, dan geldt dat hij daarop wel aanspraak had kúnnen maken.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de maatwerkvoorzieningen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat hij wat betreft de hier aan de orde zijnde voorzieningen de vrijheid heeft om te kiezen of hij een beroep doet op de Wmo 2015, of dat hij dit regelt met de schadeverzekeraar. Bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst hebben partijen er rekening mee gehouden dat appellant in aanmerking komt voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015. Verder is van belang dat de schadeverzekeraar niet 100% van de schade heeft vergoed, maar 90%, omdat sprake was van een bepaalde mate van eigen schuld aan de zijde van appellant.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt. In de situatie van appellant staat de eigen kracht, zoals bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, niet in de weg aan de verstrekking van de gevraagde maatwerkvoorzieningen. Bij het verkrijgen van de benodigde ondersteuning heeft appellant keuzevrijheid. Hij kan de benodigde maatwerkvoorzieningen aanvragen bij het college, maar kan zich voor vergoeding van de kosten daarvan ook tot de (verzekeraar van de) schadeveroorzaker wenden. De enkele omstandigheid dat appellant met de (verzekeraar van de) schadeveroorzaker een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten, brengt niet mee dat het appellant niet meer vrijstaat zich tot het college te wenden. Dit heeft de Raad eerder geoordeeld. Daar komt nog bij dat uit de vaststellingsovereenkomst niet blijkt dat de kosten van de gevraagde maatwerkvoorzieningen expliciet en volledig zijn meegenomen in de letselschadevergoeding. Ook uit de overgelegde stukken blijkt niet dat dit is wat partijen hebben beoogd.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het college de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen met een beroep op de eigen kracht van appellant.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad zal het beroep van appellant tegen het bestreden besluit alsnog gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Op basis van de beschikbare gegevens kan de Raad niet zelf in de zaak voorzien. De Raad geeft het college de opdracht om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat is overwogen in deze uitspraak. Om het geschil zo snel als mogelijk definitief te beslechten, ziet de Raad aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad bepaalt daarom dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
5. Appellant krijgt een vergoeding van zijn proceskosten omdat het hoger beroep slaagt. Deze kosten worden zowel in beroep als hoger beroep begroot op € 1.814,- (1 punt voor het (hoger)beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, totaal 4 punten, met een waarde van € 907,- per punt), in totaal € 3.628,- voor verleende rechtsbijstand. Appellant krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 oktober 2020;
draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.628,-;
bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders als voorzitter en K.M.P. Jacobs en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2025.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) M. Dafir
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.5, derde lid
Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
Artikel 2.4.3, eerste lid
Behoudens toepassing van artikel 2.4.4, heeft een gemeente voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die jegens de cliënt naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht in verband met het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget.
Zie de uitspraak van 12 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2410.
Inleiding
23/574 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 januari 2023, 20/6981 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard (college)
Datum uitspraak: 9 januari 2025
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de vraag of de met een schadeverzekeraar gesloten vaststellingsovereenkomst in de weg staat aan verstrekking van maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015. De Raad oordeelt dat dit hier niet het geval is.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.F. Vermaat hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 november 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vermaat en vergezeld door zijn ouders. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Thoen, mr. N. Doran en A.B. Oostrom-de Jong.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1987, heeft op 31 juli 2009 een verkeersongeval gehad. Vanwege de hierdoor ontstane beperkingen heeft het college hem sinds 2010 diverse voorzieningen verstrekt, eerst op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en sinds 2015 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
1.2.
Appellant heeft op 6 juni 2017 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de schadeverzekeraar van de voor het ongeval aansprakelijke partij. In deze overeenkomst is aan appellant tegen finale kwijting een bedrag van € 1.058.800,- toegekend voor de door hem geleden schade.
1.3.
Op 19 februari 2020 heeft appellant zich bij het college gemeld voor verlenging en uitbreiding van de aan hem eerder verleende maatwerkvoorziening voor begeleiding en om een maatwerkvoorziening in de vorm van een nieuwe rolstoel. Op 17 april 2020 heeft appellant hiertoe een aanvraag gedaan.
1.4.
Met een besluit van 7 mei 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 oktober 2020 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op eigen kracht de beperkingen heeft weggenomen. Hij kan daarom geen aanspraak meer maken op een maatwerkvoorziening. Ook als de betreffende schade niet is meegenomen in het schadebedrag, dan geldt dat hij daarop wel aanspraak had kúnnen maken.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de maatwerkvoorzieningen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat hij wat betreft de hier aan de orde zijnde voorzieningen de vrijheid heeft om te kiezen of hij een beroep doet op de Wmo 2015, of dat hij dit regelt met de schadeverzekeraar. Bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst hebben partijen er rekening mee gehouden dat appellant in aanmerking komt voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015. Verder is van belang dat de schadeverzekeraar niet 100% van de schade heeft vergoed, maar 90%, omdat sprake was van een bepaalde mate van eigen schuld aan de zijde van appellant.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt. In de situatie van appellant staat de eigen kracht, zoals bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, niet in de weg aan de verstrekking van de gevraagde maatwerkvoorzieningen. Bij het verkrijgen van de benodigde ondersteuning heeft appellant keuzevrijheid. Hij kan de benodigde maatwerkvoorzieningen aanvragen bij het college, maar kan zich voor vergoeding van de kosten daarvan ook tot de (verzekeraar van de) schadeveroorzaker wenden. De enkele omstandigheid dat appellant met de (verzekeraar van de) schadeveroorzaker een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten, brengt niet mee dat het appellant niet meer vrijstaat zich tot het college te wenden. Dit heeft de Raad eerder geoordeeld. Daar komt nog bij dat uit de vaststellingsovereenkomst niet blijkt dat de kosten van de gevraagde maatwerkvoorzieningen expliciet en volledig zijn meegenomen in de letselschadevergoeding. Ook uit de overgelegde stukken blijkt niet dat dit is wat partijen hebben beoogd.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het college de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen met een beroep op de eigen kracht van appellant.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad zal het beroep van appellant tegen het bestreden besluit alsnog gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Op basis van de beschikbare gegevens kan de Raad niet zelf in de zaak voorzien. De Raad geeft het college de opdracht om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat is overwogen in deze uitspraak. Om het geschil zo snel als mogelijk definitief te beslechten, ziet de Raad aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad bepaalt daarom dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
5. Appellant krijgt een vergoeding van zijn proceskosten omdat het hoger beroep slaagt. Deze kosten worden zowel in beroep als hoger beroep begroot op € 1.814,- (1 punt voor het (hoger)beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, totaal 4 punten, met een waarde van € 907,- per punt), in totaal € 3.628,- voor verleende rechtsbijstand. Appellant krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 oktober 2020;
draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.628,-;
bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders als voorzitter en K.M.P. Jacobs en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2025.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) M. Dafir
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.5, derde lid
Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
Artikel 2.4.3, eerste lid
Behoudens toepassing van artikel 2.4.4, heeft een gemeente voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die jegens de cliënt naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht in verband met het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget.
Zie de uitspraak van 12 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2410.