Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-10
ECLI:NL:CRVB:2025:76
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,620 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 10 januari 2025
24/1596 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, in verbinding met de artikelen 8:108 en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 april 2024, 21/2884
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] , Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Verzoeker heeft bij brief van 10 juni 2024 verzocht om herziening van de door de Raad op26april 2024 tussen partijen gewezen uitspraak. Bij die uitspraak werd een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad van 28 mei 2021 afgewezen.
Overwegingen
Geen gronden ingediend
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Hetzelfde geldt voor het verzoek om herziening, zo volgt uit artikel 6:24 en artikel 8:119, tweede lid, van de Awb.
In het bijzonder stelt artikel 8:119, eerste lid, van de Awb dat herziening van een uitspraak alleen mogelijk is op grond van feiten en omstandigheden die:
hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
ij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden als zij bij de bestuursrechter eerder bekend waren geweest.
Het ingediende verzoekschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 1 augustus 2024 is verzoeker in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Verzoeker heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 3 september 2024 is aan verzoeker nogmaals de gelegenheid geboden de gronden voor het verzoekschrift in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is verzoeker erop gewezen dat hij er rekening mee moet houden dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld. Verzoeker heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het verzoek om herziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Herzieningsverzoek is onredelijk laat ingediend
Daarnaast merkt de Raad het volgende op. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld kan alleen van een oorspronkelijke uitspraak om herziening worden verzocht en niet van een herzieningsuitspraak.Het verzoek om herziening van 10 juni 2024 moet dan ook worden opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak van28mei 2021.
Van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard. In een geval als dit, waarin het niet gaat om een bestuurlijke boete en waarin geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gesteld, wordt een verzoek om herziening geacht onredelijk laat te zijn ingediend, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht (zie de uitspraken van de Raad van 20 maart 2015 en van 21 november 2017).
Bij het herzieningsverzoek van verzoeker zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd. Het herzieningsverzoek heeft betrekking op de oorspronkelijke uitspraak van de Raad van 28 mei 2021 en is meer dan één jaar na de datum van openbaarmaking daarvan ingediend. Het verzoek om herziening van die uitspraak is dan ook onredelijk laat ingediend.
Het herzieningsverzoek is om deze beide redenen kennelijk niet-ontvankelijk. Er kan zonder verder onderzoek worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid vanA.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2025.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Zie bijvoorbeeld CRvB 1 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:235.
ECLI:NL:CRVB:2015:1055 en ECLI:NL:CRVB:2017:4060.
Inleiding
Datum uitspraak: 10 januari 2025
24/1596 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, in verbinding met de artikelen 8:108 en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 april 2024, 21/2884
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] , Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Verzoeker heeft bij brief van 10 juni 2024 verzocht om herziening van de door de Raad op26april 2024 tussen partijen gewezen uitspraak. Bij die uitspraak werd een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad van 28 mei 2021 afgewezen.
Overwegingen
Geen gronden ingediend
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Hetzelfde geldt voor het verzoek om herziening, zo volgt uit artikel 6:24 en artikel 8:119, tweede lid, van de Awb.
In het bijzonder stelt artikel 8:119, eerste lid, van de Awb dat herziening van een uitspraak alleen mogelijk is op grond van feiten en omstandigheden die:
hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
ij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden als zij bij de bestuursrechter eerder bekend waren geweest.
Het ingediende verzoekschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 1 augustus 2024 is verzoeker in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Verzoeker heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 3 september 2024 is aan verzoeker nogmaals de gelegenheid geboden de gronden voor het verzoekschrift in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is verzoeker erop gewezen dat hij er rekening mee moet houden dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld. Verzoeker heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het verzoek om herziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Herzieningsverzoek is onredelijk laat ingediend
Daarnaast merkt de Raad het volgende op. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld kan alleen van een oorspronkelijke uitspraak om herziening worden verzocht en niet van een herzieningsuitspraak.Het verzoek om herziening van 10 juni 2024 moet dan ook worden opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak van28mei 2021.
Van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard. In een geval als dit, waarin het niet gaat om een bestuurlijke boete en waarin geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gesteld, wordt een verzoek om herziening geacht onredelijk laat te zijn ingediend, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht (zie de uitspraken van de Raad van 20 maart 2015 en van 21 november 2017).
Bij het herzieningsverzoek van verzoeker zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd. Het herzieningsverzoek heeft betrekking op de oorspronkelijke uitspraak van de Raad van 28 mei 2021 en is meer dan één jaar na de datum van openbaarmaking daarvan ingediend. Het verzoek om herziening van die uitspraak is dan ook onredelijk laat ingediend.
Het herzieningsverzoek is om deze beide redenen kennelijk niet-ontvankelijk. Er kan zonder verder onderzoek worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid vanA.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2025.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Zie bijvoorbeeld CRvB 1 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:235.
ECLI:NL:CRVB:2015:1055 en ECLI:NL:CRVB:2017:4060.