Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-04-15
ECLI:NL:CRVB:2025:751
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,354 tokens
Inleiding
23591 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 januari 2023, 22/3801 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 15 april 2025
Zitting heeft: K.M.P. Jacobs
Griffier: A.M.J. van Erkel
Namens appellant is verschenen [naam vader] (vader van appellant), bijgestaan door mr. E.R. van Dijk, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Hielkema.
Dictum
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak. Daartoe is het volgende van belang.
1. Het gaat in deze zaak om toekenning van bijstand op grond van de Participatiewet (PW), met ingang van 1 februari 2022, met toepassing van de kostendelersnorm. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in dezelfde woning hoofdverblijf had als zijn vader. Het college heeft geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW van de kostendelersnorm af te wijken.
2. De rechtbank heeft de besluitvorming van het college in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. Appellant heeft verklaard hoofdzakelijk bij zijn vader te verblijven. Dit betekent dat het hoofdverblijf van appellant op het adres van zijn vader is, zodat het college de vader terecht heeft aangemerkt als kosten delende medebewoner. Er is geen rechtsgrond op grond waarvan het college rekening had moeten houden met de voorgenomen wetswijzing per 1 januari 2023, waarbij de leeftijd van de bewoners die meetellen voor de kostendelersnorm is verhoogd van 21 jaar naar 27 jaar. Het college heeft onderzocht of toepassing moest worden gegeven aan artikel 18, eerste lid, van de PW. In de aangevoerde omstandigheden heeft het college hiervoor terecht geen aanleiding gezien. Eiser heeft geen schulden, hoeft niet bij te dragen in de woonlasten en betaalt geen kostgeld. Daarnaast ontvangt de vader van eiser een inkomen dat nagenoeg gelijk is aan de bijstandsnorm, zodat eiser en zijn vader samen een inkomen ontvangen dat de gehuwdennorm overstijgt. Dat desondanks sprake is van een zeer bijzondere situatie heeft appellant niet aannemelijk gemaakt.
3. Appellant voert aan dat zijn psychische gesteldheid en het feit dat hij hulpbehoevend was als bijzondere omstandigheden moeten worden gezien op grond waarvan het college met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW van de kostendelersnorm had moeten afwijken. Verder voert appellant aan dat hij ten tijde in dit geding van belang dak- en thuisloos was en in de gemeentelijke basisadministratie niet op het adres van zijn vader stond ingeschreven. Het college is ten onrechte ervan uit gegaan dat appellant zijn hoofdverblijf bij zijn vader had. Tenslotte heeft appellant nog aangevoerd dat het college uit coulance rekening had moeten houden met de wetswijziging van artikel 19a van de PW per 1 januari 2023.
4. Wat appellant aanvoert is in de kern een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. Hij voegt daaraan nog het volgende toe. Dat appellant psychische klachten heeft, is niet in geschil. Dat deze klachten betekenen dat het college had moeten afstemmen, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Appellant heeft volstaan met de verwijzing naar de psychische klachten, maar hij heeft niet uiteengezet, en al helemaal niet onderbouwd met (financiële) stukken, waarom deze klachten moeten leiden tot afstemming van de bijstand. Dat er psychische klachten zijn, is op zichzelf geen reden om af te stemmen.
5. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.M.J. van Erkel (getekend) K.M.P. Jacobs
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1075.
Inleiding
23591 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 januari 2023, 22/3801 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 15 april 2025
Zitting heeft: K.M.P. Jacobs
Griffier: A.M.J. van Erkel
Namens appellant is verschenen [naam vader] (vader van appellant), bijgestaan door mr. E.R. van Dijk, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Hielkema.
Dictum
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak. Daartoe is het volgende van belang.
1. Het gaat in deze zaak om toekenning van bijstand op grond van de Participatiewet (PW), met ingang van 1 februari 2022, met toepassing van de kostendelersnorm. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in dezelfde woning hoofdverblijf had als zijn vader. Het college heeft geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW van de kostendelersnorm af te wijken.
2. De rechtbank heeft de besluitvorming van het college in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. Appellant heeft verklaard hoofdzakelijk bij zijn vader te verblijven. Dit betekent dat het hoofdverblijf van appellant op het adres van zijn vader is, zodat het college de vader terecht heeft aangemerkt als kosten delende medebewoner. Er is geen rechtsgrond op grond waarvan het college rekening had moeten houden met de voorgenomen wetswijzing per 1 januari 2023, waarbij de leeftijd van de bewoners die meetellen voor de kostendelersnorm is verhoogd van 21 jaar naar 27 jaar. Het college heeft onderzocht of toepassing moest worden gegeven aan artikel 18, eerste lid, van de PW. In de aangevoerde omstandigheden heeft het college hiervoor terecht geen aanleiding gezien. Eiser heeft geen schulden, hoeft niet bij te dragen in de woonlasten en betaalt geen kostgeld. Daarnaast ontvangt de vader van eiser een inkomen dat nagenoeg gelijk is aan de bijstandsnorm, zodat eiser en zijn vader samen een inkomen ontvangen dat de gehuwdennorm overstijgt. Dat desondanks sprake is van een zeer bijzondere situatie heeft appellant niet aannemelijk gemaakt.
3. Appellant voert aan dat zijn psychische gesteldheid en het feit dat hij hulpbehoevend was als bijzondere omstandigheden moeten worden gezien op grond waarvan het college met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW van de kostendelersnorm had moeten afwijken. Verder voert appellant aan dat hij ten tijde in dit geding van belang dak- en thuisloos was en in de gemeentelijke basisadministratie niet op het adres van zijn vader stond ingeschreven. Het college is ten onrechte ervan uit gegaan dat appellant zijn hoofdverblijf bij zijn vader had. Tenslotte heeft appellant nog aangevoerd dat het college uit coulance rekening had moeten houden met de wetswijziging van artikel 19a van de PW per 1 januari 2023.
4. Wat appellant aanvoert is in de kern een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. Hij voegt daaraan nog het volgende toe. Dat appellant psychische klachten heeft, is niet in geschil. Dat deze klachten betekenen dat het college had moeten afstemmen, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Appellant heeft volstaan met de verwijzing naar de psychische klachten, maar hij heeft niet uiteengezet, en al helemaal niet onderbouwd met (financiële) stukken, waarom deze klachten moeten leiden tot afstemming van de bijstand. Dat er psychische klachten zijn, is op zichzelf geen reden om af te stemmen.
5. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.M.J. van Erkel (getekend) K.M.P. Jacobs
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1075.