Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-05-07
ECLI:NL:CRVB:2025:691
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,742 tokens
Inleiding
22/3662 WIA
Datum uitspraak: 7 mei 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2022, 22/1756 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R.J. Hoogeveen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 2 oktober 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 30 oktober 2024 heeft mr. Hoogeveen namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Bij brief van 8 november 2024 heeft appellant een specificatie gegeven van zijn proceskosten.
Het Uwv heeft op 2 december 2024 meegedeeld zich niet te zullen verzetten tegen een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 2 oktober 2024 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij wordt overwogen dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het Uwv al had veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 647,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 647,- en met wegingsfactor 1) en € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en met wegingsfactor 1).
Het totale bedrag van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedraagt € 1.554,-.
Ook dient het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een totaalbedrag van € 1.554,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025.
(getekend) C. Karman
(getekend) S. Pouw
Inleiding
22/3662 WIA
Datum uitspraak: 7 mei 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2022, 22/1756 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R.J. Hoogeveen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 2 oktober 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 30 oktober 2024 heeft mr. Hoogeveen namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Bij brief van 8 november 2024 heeft appellant een specificatie gegeven van zijn proceskosten.
Het Uwv heeft op 2 december 2024 meegedeeld zich niet te zullen verzetten tegen een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 2 oktober 2024 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij wordt overwogen dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het Uwv al had veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 647,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 647,- en met wegingsfactor 1) en € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en met wegingsfactor 1).
Het totale bedrag van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedraagt € 1.554,-.
Ook dient het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een totaalbedrag van € 1.554,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025.
(getekend) C. Karman
(getekend) S. Pouw