Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-04-17
ECLI:NL:CRVB:2025:595
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,418 tokens
Inleiding
24/1055 AOW
Datum uitspraak: 17 april 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2024, 21/4214 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
SAMENVATTING
De Svb heeft appellante geen AOW-pensioen toegekend omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op AOW-pensioen. De Raad is het met de rechtbank eens dat de Svb de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep van appellante slaagt dus niet.
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak aan de orde gesteld op een zitting van 6 maart 2025. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
De overleden echtgenoot van appellante, [naam echtgenoot] heeft in de periode 1967-1972 gewoond in Nederland. Vanaf 1 juli 1979 ontving [naam echtgenoot] een ouderdomspensioen op grond van de AOW. [naam echtgenoot] is op 28 januari 2000 overleden. Appellante is de derde echtgenote van [naam echtgenoot] . De eerste echtgenote van [naam echtgenoot] ontving tot haar overlijden een AOW-pensioen. Met een besluit van 12 januari 2004 is aan appellante met ingang van januari 2000 een nabestaandenuitkering op grond van de ANW toegekend. De ANW-uitkering van appellante is op 1 november 2020 beëindigd omdat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte. Vervolgens heeft appellante een aanvraag ingediend om toekenning van een AOW-pensioen.
1.2.
Met een besluit van 19 november 2020 heeft de Svb de aanvraag afgewezen. Het bezwaar hiertegen is met een besluit van 1 juni 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De Svb heeft overwogen dat appellante geen recht heeft op een AOW-pensioen omdat zij niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Verder kan alleen de eerste huwelijkspartner van [naam echtgenoot] recht hebben op huwelijkse tijdvakken waardoor er recht op een verzekering kan zijn. Appellante is echter de derde huwelijkspartner.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de Svb terecht besloten dat appellante geen aanspraak kan maken op een AOW-pensioen. Appellante heeft nooit in Nederland gewoond of gewerkt en is dus niet zelfstandig verzekerd geweest voor de AOW. Ook is niet gebleken dat zij aanvullend verzekerd is geweest. Appellante kan alleen in aanmerking komen voor verzekering wanneer de tijdvakken van de verzekering van [naam echtgenoot] aan haar zijn toe te wijzen. Appellante is de derde echtgenote en gebleken is dat aan de (inmiddels overleden) eerste echtgenote destijds een AOW-uitkering is toegewezen met gebruikmaking van de tijdvakken van [naam echtgenoot] . Dat betekent dat appellante ook niet op grond van de tijdvakken van de verzekering van [naam echtgenoot] voor toekenning van een AOW-pensioen in aanmerking komt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat zij een ouderdomspensioen nodig heeft om het gezin en haar persoonlijke behoeften te onderhouden.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit van de Svb om de aanvraag van appellante voor een AOW-pensioen af te wijzen, in stand heeft gelaten. Hij doet dit aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingebracht. Wat de rechtbank heeft geoordeeld is juist. In het bestreden besluit en in de aangevallen uitspraak is uiteengezet waarom appellante geen AOW-pensioen krijgt. De Raad neemt de overwegingen van de rechtbank over. Appellante heeft niet betwist dat zij nooit in Nederland heeft gewoond of gewerkt en dat zij de derde echtgenote van [naam echtgenoot] is. Dat de eerste echtgenote is overleden leidt er niet toe dat de huwelijkse tijdvakken (alsnog) aan appellante worden toegekend. De aanspraak van de eerste echtgenote gaat namelijk niet over op appellante. Verder leidt het feit dat appellante een ANW-uitkering ontving er niet toe dat zij recht heeft op een AOW-pensioen.
Conclusie
4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag van een AOW-pensioen in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2025.
(getekend) H. Lagas
(getekend) S. Ploum
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’sGravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
Statue:
Confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par H. Lagas en présence de S. Ploum en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 17 avril 2025.
(signé) H. Lagas
(signé) S. Ploum
Les parties disposent d’un délai de six semaines á compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas: Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL2500 EH ‘s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assuré.
Algemene Ouderdomswet.
Algemene nabestaandenwet.
Inleiding
24/1055 AOW
Datum uitspraak: 17 april 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2024, 21/4214 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
SAMENVATTING
De Svb heeft appellante geen AOW-pensioen toegekend omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op AOW-pensioen. De Raad is het met de rechtbank eens dat de Svb de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep van appellante slaagt dus niet.
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak aan de orde gesteld op een zitting van 6 maart 2025. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
De overleden echtgenoot van appellante, [naam echtgenoot] heeft in de periode 1967-1972 gewoond in Nederland. Vanaf 1 juli 1979 ontving [naam echtgenoot] een ouderdomspensioen op grond van de AOW. [naam echtgenoot] is op 28 januari 2000 overleden. Appellante is de derde echtgenote van [naam echtgenoot] . De eerste echtgenote van [naam echtgenoot] ontving tot haar overlijden een AOW-pensioen. Met een besluit van 12 januari 2004 is aan appellante met ingang van januari 2000 een nabestaandenuitkering op grond van de ANW toegekend. De ANW-uitkering van appellante is op 1 november 2020 beëindigd omdat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte. Vervolgens heeft appellante een aanvraag ingediend om toekenning van een AOW-pensioen.
1.2.
Met een besluit van 19 november 2020 heeft de Svb de aanvraag afgewezen. Het bezwaar hiertegen is met een besluit van 1 juni 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De Svb heeft overwogen dat appellante geen recht heeft op een AOW-pensioen omdat zij niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Verder kan alleen de eerste huwelijkspartner van [naam echtgenoot] recht hebben op huwelijkse tijdvakken waardoor er recht op een verzekering kan zijn. Appellante is echter de derde huwelijkspartner.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de Svb terecht besloten dat appellante geen aanspraak kan maken op een AOW-pensioen. Appellante heeft nooit in Nederland gewoond of gewerkt en is dus niet zelfstandig verzekerd geweest voor de AOW. Ook is niet gebleken dat zij aanvullend verzekerd is geweest. Appellante kan alleen in aanmerking komen voor verzekering wanneer de tijdvakken van de verzekering van [naam echtgenoot] aan haar zijn toe te wijzen. Appellante is de derde echtgenote en gebleken is dat aan de (inmiddels overleden) eerste echtgenote destijds een AOW-uitkering is toegewezen met gebruikmaking van de tijdvakken van [naam echtgenoot] . Dat betekent dat appellante ook niet op grond van de tijdvakken van de verzekering van [naam echtgenoot] voor toekenning van een AOW-pensioen in aanmerking komt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat zij een ouderdomspensioen nodig heeft om het gezin en haar persoonlijke behoeften te onderhouden.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit van de Svb om de aanvraag van appellante voor een AOW-pensioen af te wijzen, in stand heeft gelaten. Hij doet dit aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingebracht. Wat de rechtbank heeft geoordeeld is juist. In het bestreden besluit en in de aangevallen uitspraak is uiteengezet waarom appellante geen AOW-pensioen krijgt. De Raad neemt de overwegingen van de rechtbank over. Appellante heeft niet betwist dat zij nooit in Nederland heeft gewoond of gewerkt en dat zij de derde echtgenote van [naam echtgenoot] is. Dat de eerste echtgenote is overleden leidt er niet toe dat de huwelijkse tijdvakken (alsnog) aan appellante worden toegekend. De aanspraak van de eerste echtgenote gaat namelijk niet over op appellante. Verder leidt het feit dat appellante een ANW-uitkering ontving er niet toe dat zij recht heeft op een AOW-pensioen.
Conclusie
4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag van een AOW-pensioen in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2025.
(getekend) H. Lagas
(getekend) S. Ploum
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’sGravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
Statue:
Confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par H. Lagas en présence de S. Ploum en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 17 avril 2025.
(signé) H. Lagas
(signé) S. Ploum
Les parties disposent d’un délai de six semaines á compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas: Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL2500 EH ‘s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assuré.
Algemene Ouderdomswet.
Algemene nabestaandenwet.