Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-04-01
ECLI:NL:CRVB:2025:545
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
6,908 tokens
Inleiding
24/252 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 december 2023, 22/578 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
Datum uitspraak: 1 april 2025
SAMENVATTING
In deze zaak heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel verlaagd. De reden daarvan is dat volgens het college appellant niet heeft meegewerkt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Door zijn gedrag is namelijk het re-integratietraject voortijdig beëindigd. Appellant vindt dat dit hem niet volledig te verwijten valt en dat de opgelegde maatregel disproportioneel is. Net als de rechtbank is de Raad het niet met hem eens. Het hoger beroep slaagt daarom niet.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. P.J.M. Bongaarts, destijds advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 februari 2025. Beide partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant en zijn gezin ontvingen in de periode waar het hier om gaat bijstand op grond van de Participatiewet (PW) van het college.
1.2.
Van maart 2017 tot maart 2021 was appellant tijdelijk ontheven van de reintegratieverplichtingen van artikel 9, eerste lid, onder a en c, van de PW. Op 21 januari 2021 is over appellant een belastbaarheidsadvies uitgebracht en op 24 maart 2021 een advies van een arbeidsdeskundige. Vastgesteld is dat appellant kon werken en een re-integratietraject kon volgen, rekening houdend met zijn medische beperkingen. Met een besluit van 30 maart 2021 zijn aan appellant alle re-integratieverplichtingen op grond van artikel 9, eerste lid, van de PW opgelegd.
1.3.
Appellant is op 30 maart 2021 aangemeld voor een re-integratietraject bij [naam B.V.] . ( [naam B.V.] ). Op 26 mei 2021 heeft bij [naam B.V.] een kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen appellant en zijn werkbegeleider (E). Appellant is tijdens dat gesprek boos geworden en heeft zich verbaal agressief gedragen, onder andere door te schelden en te schreeuwen tegen E. Het gesprek is vervolgens beëindigd en het college heeft aan appellant vanwege zijn houding en gedrag op 4 juni 2021 een brief gezonden, met daarin een officiële waarschuwing om dergelijk taalgebruik in de toekomst achterwege te laten.
1.4.
Appellant heeft in verband met het voorval op 26 mei 2021 een klacht ingediend bij het college en bij [naam B.V.] . De klacht bij het college is niet-ontvankelijk verklaard en de klacht bij [naam B.V.] is ongegrond verklaard.
1.5.
Het college heeft appellant bij brief van 30 juli 2021 meegedeeld dat hij in het kader van zijn re-integratie is aangemeld voor een traject gericht op sociale activering bij [naam B.V.] . Appellant is op 3 augustus 2021 met dat traject begonnen. Hij heeft op zijn verzoek een andere werkbegeleider gekregen zodat E en hij geen contact meer met elkaar hoefden te hebben.
1.6.
Op 10 augustus 2021 heeft bij [naam B.V.] weer een incident plaatsgevonden. Daarvan zijn op diezelfde dag drie verslagen opgemaakt door medewerkers van [naam B.V.] . Uit die verslagen komt het volgende naar voren. Appellant is zonder aanmelding of afspraak verschenen in de werkkamer van E. Deze kamer bevond zich in een ruimte die niet toegankelijk was voor deelnemers aan het traject. Appellant wilde E spreken over het gesprek op 26 mei 2021 en over de klacht die hij had ingediend. Er ontstond een woordenwisseling tussen appellant en E. Op verzoek van E is een andere medewerker van [naam B.V.] toen het gesprek gaan bijwonen. Appellant was boos en is weer gaan schelden en schreeuwen tegen E. Het gesprek is daarop beëindigd en de andere medewerker heeft appellant gezegd dat hij moest vertrekken. Vervolgens is appellant naar de uitgang gedwongen. Aan appellant is op diezelfde dag een gebouwverbod opgelegd. Dit voorval was voor [naam B.V.] reden om het re-integratietraject van appellant met onmiddellijke ingang te beëindigen.
1.7.
Het college heeft appellant bij brief van 10 augustus 2021 meegedeeld dat het traject bij [naam B.V.] per direct is beëindigd.
1.8.
Met een besluit van 18 oktober 2021 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant 100% verlaagd gedurende een maand. Gelet op de gezinssituatie van appellant heeft het college deze verlaging gespreid over twee maanden: oktober en november 2021.
1.9.
Op 30 november 2021 is opnieuw een belastbaarheidsadvies over appellant opgesteld. Daarin staat onder meer het volgende.
“Hij heeft reeds langer bestaande medische klachten waarvan een deel afgelopen maanden is verergerd. Zijn behandelaar heeft de diagnostiek en behandeling hiervan uitgebreid. Van de andere medische klachten is, gezien de aard van de problematiek, medisch geobjectiveerd, geen verbetering te verwachten en deze geven nog steeds de beperkingen zoals geduid in het belastbaarheidsprofiel januari 2021. Naast deze lopende zaken op medisch gebied, bevindt hij zich m.b.t. zijn privé situatie op dit moment in een intensieve periode. Dit maakt dat hij thans onvoldoende draagkracht heeft de stap naar arbeid te maken. Hij heeft ruimte nodig voor behandeling en herstel. Meer rust op het thuisfront en duidelijkheid m.b.t. zijn medische problematiek zullen zijn belastbaarheid doen toenemen. Mijn advies is dan ook om over 6 maanden opnieuw te kijken naar zijn situatie en te kijken of het in januari 2021 opgestelde belastbaarheidsprofiel nog volstaat.”
Bestreden besluit
1.10.
Het college heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 oktober 2021 met een besluit van 24 januari 2022 (bestreden besluit) ongegrond verklaard en is dus bij de opgelegde maatregel gebleven. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Appellant heeft zich namelijk op 10 augustus 2021 zodanig gedragen dat handhaving op de werkplek niet meer mogelijk was. Dit kan appellant worden verweten. Uit het belastbaarheidsadvies van 30 november 2021 blijken geen dringende redenen op grond waarvan de maatregel zou moeten worden afgestemd.
1.11.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en bij brief van 21 september 2023 een nieuw belastbaarheidsadvies van [naam B.V.] , gedateerd 28 maart 2023, overgelegd. Daarin staat dat appellant op dat moment niet in staat is om aan participatie- of re-integratieactiviteiten deel te nemen. Op 2 oktober 2023 heeft de rechtbank het beroep op een zitting behandeld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank – verkort weergegeven en voor zover van belang – het volgende overwogen.
2.1.
Niet betwist wordt dat appellant zich op 10 augustus 2021 bij [naam B.V.] dreigend heeft opgesteld jegens E. Aan appellant is vervolgens een gebouwverbod opgelegd en zijn traject is per direct beëindigd. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende plicht om mee te werken aan het aan hem aangeboden activeringstraject gericht op arbeidsinschakeling. Appellant heeft op 10 augustus 2021 bewust E op zijn werkplek opgezocht, omdat hij hem wilde spreken over de gang van zaken tijdens het gesprek van 26 mei 2021. Appellant heeft zich daarbij dreigend opgesteld jegens E, zo blijkt onder meer uit het verslag van twee medewerkers van [naam B.V.] . Appellant heeft zelf erkend dat hij E heeft opgezocht en met hem een woordenwisseling heeft gehad. Dit incident was aanleiding het traject met onmiddellijke ingang te beëindigen. Daarmee heeft appellant de geharmoniseerde verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onder h, van de PW geschonden.
2.2.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het incident op 10 augustus 2021. Dat psychische klachten een rol hebben gespeeld bij het incident wordt niet gevolgd. Appellant heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Ten tijde van het incident was appellant geschikt bevonden om een traject te volgen. Dit volgt uit het rapport van [naam B.V.] van januari 2021 en het arbeidsdeskundig onderzoek van maart 2021. Appellant heeft een rapport van [naam B.V.] van november 2021 overgelegd, maar ook daaruit blijkt niet dat hij kampt(e) met psychische problematiek. Bovendien heeft dit rapport geen betrekking op de periode in geding.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
4.1.
Wat appellant aanvoert is in de kern een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen, zoals weergegeven in 2.1 tot en met 2.4, over. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
4.2.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellant al geruime tijd psychische klachten had en dat in 2021 zijn privé-situatie zich in een intensieve periode bevond. Dit betekent echter niet zonder meer dat als gevolg daarvan zijn gedragingen op 10 augustus 2021 hem verminderd zijn te verwijten. Daarvoor is namelijk ook het volgende van betekenis. In de eerste plaats was appellant na het incident op 26 mei 2021 gewaarschuwd dat hij het schreeuwen en het beledigend taalgebruik voortaan achterwege moest laten. In de tweede plaats blijkt uit de verschillende over appellant opgestelde rapporten niet dat hij wegens zijn psychische toestand buiten staat was om zijn gedrag in toom te houden. Daarbij komt dat appellant niet E onverwachts op zijn werkplek tegen het lijf is gelopen, maar hem bewust heeft opgezocht om hem te spreken over een klacht die al was afgehandeld. Vaststaat dat hij zich tijdens dat gesprek ontoelaatbaar, respectloos en dreigend heeft gedragen, in zodanige mate dat dit [naam B.V.] heeft gebracht tot het opleggen van een gebouwverbod en de beëindiging van het re-integratietraject.
4.3.
Dat appellant had gewild dat het college met zijn lastige privé-situatie en zijn verminderde psychische belastbaarheid had rekening gehouden is begrijpelijk, maar dat maakt, gelet op 4.2, niet dat het college in die omstandigheden een reden had moeten zien om de maatregel te matigen.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2025.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) M. Dafir
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet (PW)
In artikel 9, eerste lid, onder a, b en c, van de PW zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie opgenomen. Het tweede lid biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Op grond van artikel 18, vierde lid aanhef en onder h, van de PW verlaagt het college in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichting om gebruik te maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
Op grond van artikel 18, tiende lid, van de PW stemt het college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
Inleiding
24/252 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 december 2023, 22/578 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
Datum uitspraak: 1 april 2025
SAMENVATTING
In deze zaak heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel verlaagd. De reden daarvan is dat volgens het college appellant niet heeft meegewerkt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Door zijn gedrag is namelijk het re-integratietraject voortijdig beëindigd. Appellant vindt dat dit hem niet volledig te verwijten valt en dat de opgelegde maatregel disproportioneel is. Net als de rechtbank is de Raad het niet met hem eens. Het hoger beroep slaagt daarom niet.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. P.J.M. Bongaarts, destijds advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 februari 2025. Beide partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant en zijn gezin ontvingen in de periode waar het hier om gaat bijstand op grond van de Participatiewet (PW) van het college.
1.2.
Van maart 2017 tot maart 2021 was appellant tijdelijk ontheven van de reintegratieverplichtingen van artikel 9, eerste lid, onder a en c, van de PW. Op 21 januari 2021 is over appellant een belastbaarheidsadvies uitgebracht en op 24 maart 2021 een advies van een arbeidsdeskundige. Vastgesteld is dat appellant kon werken en een re-integratietraject kon volgen, rekening houdend met zijn medische beperkingen. Met een besluit van 30 maart 2021 zijn aan appellant alle re-integratieverplichtingen op grond van artikel 9, eerste lid, van de PW opgelegd.
1.3.
Appellant is op 30 maart 2021 aangemeld voor een re-integratietraject bij [naam B.V.] . ( [naam B.V.] ). Op 26 mei 2021 heeft bij [naam B.V.] een kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen appellant en zijn werkbegeleider (E). Appellant is tijdens dat gesprek boos geworden en heeft zich verbaal agressief gedragen, onder andere door te schelden en te schreeuwen tegen E. Het gesprek is vervolgens beëindigd en het college heeft aan appellant vanwege zijn houding en gedrag op 4 juni 2021 een brief gezonden, met daarin een officiële waarschuwing om dergelijk taalgebruik in de toekomst achterwege te laten.
1.4.
Appellant heeft in verband met het voorval op 26 mei 2021 een klacht ingediend bij het college en bij [naam B.V.] . De klacht bij het college is niet-ontvankelijk verklaard en de klacht bij [naam B.V.] is ongegrond verklaard.
1.5.
Het college heeft appellant bij brief van 30 juli 2021 meegedeeld dat hij in het kader van zijn re-integratie is aangemeld voor een traject gericht op sociale activering bij [naam B.V.] . Appellant is op 3 augustus 2021 met dat traject begonnen. Hij heeft op zijn verzoek een andere werkbegeleider gekregen zodat E en hij geen contact meer met elkaar hoefden te hebben.
1.6.
Op 10 augustus 2021 heeft bij [naam B.V.] weer een incident plaatsgevonden. Daarvan zijn op diezelfde dag drie verslagen opgemaakt door medewerkers van [naam B.V.] . Uit die verslagen komt het volgende naar voren. Appellant is zonder aanmelding of afspraak verschenen in de werkkamer van E. Deze kamer bevond zich in een ruimte die niet toegankelijk was voor deelnemers aan het traject. Appellant wilde E spreken over het gesprek op 26 mei 2021 en over de klacht die hij had ingediend. Er ontstond een woordenwisseling tussen appellant en E. Op verzoek van E is een andere medewerker van [naam B.V.] toen het gesprek gaan bijwonen. Appellant was boos en is weer gaan schelden en schreeuwen tegen E. Het gesprek is daarop beëindigd en de andere medewerker heeft appellant gezegd dat hij moest vertrekken. Vervolgens is appellant naar de uitgang gedwongen. Aan appellant is op diezelfde dag een gebouwverbod opgelegd. Dit voorval was voor [naam B.V.] reden om het re-integratietraject van appellant met onmiddellijke ingang te beëindigen.
1.7.
Het college heeft appellant bij brief van 10 augustus 2021 meegedeeld dat het traject bij [naam B.V.] per direct is beëindigd.
1.8.
Met een besluit van 18 oktober 2021 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant 100% verlaagd gedurende een maand. Gelet op de gezinssituatie van appellant heeft het college deze verlaging gespreid over twee maanden: oktober en november 2021.
1.9.
Op 30 november 2021 is opnieuw een belastbaarheidsadvies over appellant opgesteld. Daarin staat onder meer het volgende.
“Hij heeft reeds langer bestaande medische klachten waarvan een deel afgelopen maanden is verergerd. Zijn behandelaar heeft de diagnostiek en behandeling hiervan uitgebreid. Van de andere medische klachten is, gezien de aard van de problematiek, medisch geobjectiveerd, geen verbetering te verwachten en deze geven nog steeds de beperkingen zoals geduid in het belastbaarheidsprofiel januari 2021. Naast deze lopende zaken op medisch gebied, bevindt hij zich m.b.t. zijn privé situatie op dit moment in een intensieve periode. Dit maakt dat hij thans onvoldoende draagkracht heeft de stap naar arbeid te maken. Hij heeft ruimte nodig voor behandeling en herstel. Meer rust op het thuisfront en duidelijkheid m.b.t. zijn medische problematiek zullen zijn belastbaarheid doen toenemen. Mijn advies is dan ook om over 6 maanden opnieuw te kijken naar zijn situatie en te kijken of het in januari 2021 opgestelde belastbaarheidsprofiel nog volstaat.”
Bestreden besluit
1.10.
Het college heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 oktober 2021 met een besluit van 24 januari 2022 (bestreden besluit) ongegrond verklaard en is dus bij de opgelegde maatregel gebleven. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Appellant heeft zich namelijk op 10 augustus 2021 zodanig gedragen dat handhaving op de werkplek niet meer mogelijk was. Dit kan appellant worden verweten. Uit het belastbaarheidsadvies van 30 november 2021 blijken geen dringende redenen op grond waarvan de maatregel zou moeten worden afgestemd.
1.11.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en bij brief van 21 september 2023 een nieuw belastbaarheidsadvies van [naam B.V.] , gedateerd 28 maart 2023, overgelegd. Daarin staat dat appellant op dat moment niet in staat is om aan participatie- of re-integratieactiviteiten deel te nemen. Op 2 oktober 2023 heeft de rechtbank het beroep op een zitting behandeld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank – verkort weergegeven en voor zover van belang – het volgende overwogen.
2.1.
Niet betwist wordt dat appellant zich op 10 augustus 2021 bij [naam B.V.] dreigend heeft opgesteld jegens E. Aan appellant is vervolgens een gebouwverbod opgelegd en zijn traject is per direct beëindigd. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende plicht om mee te werken aan het aan hem aangeboden activeringstraject gericht op arbeidsinschakeling. Appellant heeft op 10 augustus 2021 bewust E op zijn werkplek opgezocht, omdat hij hem wilde spreken over de gang van zaken tijdens het gesprek van 26 mei 2021. Appellant heeft zich daarbij dreigend opgesteld jegens E, zo blijkt onder meer uit het verslag van twee medewerkers van [naam B.V.] . Appellant heeft zelf erkend dat hij E heeft opgezocht en met hem een woordenwisseling heeft gehad. Dit incident was aanleiding het traject met onmiddellijke ingang te beëindigen. Daarmee heeft appellant de geharmoniseerde verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onder h, van de PW geschonden.
2.2.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het incident op 10 augustus 2021. Dat psychische klachten een rol hebben gespeeld bij het incident wordt niet gevolgd. Appellant heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Ten tijde van het incident was appellant geschikt bevonden om een traject te volgen. Dit volgt uit het rapport van [naam B.V.] van januari 2021 en het arbeidsdeskundig onderzoek van maart 2021. Appellant heeft een rapport van [naam B.V.] van november 2021 overgelegd, maar ook daaruit blijkt niet dat hij kampt(e) met psychische problematiek. Bovendien heeft dit rapport geen betrekking op de periode in geding.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
4.1.
Wat appellant aanvoert is in de kern een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen, zoals weergegeven in 2.1 tot en met 2.4, over. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
4.2.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellant al geruime tijd psychische klachten had en dat in 2021 zijn privé-situatie zich in een intensieve periode bevond. Dit betekent echter niet zonder meer dat als gevolg daarvan zijn gedragingen op 10 augustus 2021 hem verminderd zijn te verwijten. Daarvoor is namelijk ook het volgende van betekenis. In de eerste plaats was appellant na het incident op 26 mei 2021 gewaarschuwd dat hij het schreeuwen en het beledigend taalgebruik voortaan achterwege moest laten. In de tweede plaats blijkt uit de verschillende over appellant opgestelde rapporten niet dat hij wegens zijn psychische toestand buiten staat was om zijn gedrag in toom te houden. Daarbij komt dat appellant niet E onverwachts op zijn werkplek tegen het lijf is gelopen, maar hem bewust heeft opgezocht om hem te spreken over een klacht die al was afgehandeld. Vaststaat dat hij zich tijdens dat gesprek ontoelaatbaar, respectloos en dreigend heeft gedragen, in zodanige mate dat dit [naam B.V.] heeft gebracht tot het opleggen van een gebouwverbod en de beëindiging van het re-integratietraject.
4.3.
Dat appellant had gewild dat het college met zijn lastige privé-situatie en zijn verminderde psychische belastbaarheid had rekening gehouden is begrijpelijk, maar dat maakt, gelet op 4.2, niet dat het college in die omstandigheden een reden had moeten zien om de maatregel te matigen.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2025.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) M. Dafir
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet (PW)
In artikel 9, eerste lid, onder a, b en c, van de PW zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie opgenomen. Het tweede lid biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Op grond van artikel 18, vierde lid aanhef en onder h, van de PW verlaagt het college in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichting om gebruik te maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
Op grond van artikel 18, tiende lid, van de PW stemt het college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.