Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-03-20
ECLI:NL:CRVB:2025:541
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,454 tokens
Inleiding
24/442 WSFBSF-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 januari 2024, 23/3504 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 20 maart 2025
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Griffier: S. Ploum
Ter zitting zijn verschenen: mr. W. Boeters, advocaat, namens appellante. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Bouhuys.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep:
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek tot veroordeling van vergoeding van schade af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Overwegingen
1.1.
Appellante heeft de Bulgaarse nationaliteit. Zij heeft vanaf 1 september 2016 studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 ontvangen in de vorm van een collegegeldkrediet. Verder heeft appellante vanaf juni 2019 een lening en een reisvoorziening ontvangen en vanaf januari 2020 een aanvullende beurs.
1.2.
Met een besluit van 4 augustus 2020 (besluit 1) heeft de minister aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 1 september 2020 geen recht meer heeft op een aanvullende beurs, omdat zij het maximale aantal maanden prestatiebeurs voor haar opleiding heeft gebruikt. Appellante heeft nog maximaal 15 maanden recht op een reisvoorziening en kan nog maximaal 36 maanden lenen.
1.3.
Met een besluit van 20 oktober 2022 (besluit 2) heeft de minister aan appellante meegedeeld dat zij over maart tot en met december 2023 geen recht meer heeft op een reisvoorziening, omdat zij de volledige duur reisvoorziening voor een ho-opleiding heeft verbruikt.
1.4.
Appellante heeft op 26 februari 2023 bezwaar gemaakt tegen besluiten 1 en 2. Bij besluit van 13 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat is ingediend en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en een verzoek om toekenning van schadevergoeding afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellante ervoor gekozen heeft de berichten van DUO elektronisch te ontvangen. Het lag op de weg van appellante om die website in de gaten te houden op berichten over haar studiefinanciering. Dat appellante te laat kennis heeft genomen van de primaire besluiten en de daarin opgenomen rechtsmiddelenverwijzingen, moet voor haar risico blijven. Van een verschoonbare termijnoverschrijding kan in dit geval geen sprake zijn.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is, omdat er een e-mailprobleem was vanuit de Bulgaarse provider waarbij een update mogelijk een rol speelde. Appellante is van mening dat het belang van de minister bij strikte handhaving van termijnen niet opweegt tegen het belang van rechtsbescherming voor appellante. Tot slot is een verzoek tot veroordeling van schadevergoeding herhaald.
Beoordeling
4.1.
Niet in geschil is dat appellante te laat bezwaar heeft gemaakt tegen besluiten 1 en 2. In geschil is of overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.
4.2.
In de uitspraken van 30 januari 2024 heeft het CBb nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb in bestuursrechtelijke procedures. Voor de inhoud van het nieuwe beoordelingskader, in korte vorm weergegeven en toegespitst op zijn eigen zaken, verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 8 mei 2024.
4.3.
In het geval van appellante wordt het volgende overwogen. Appellante heeft bij aanvang van haar studie gekozen voor digitale bekendmaking van de berichten van de minister over studiefinanciering. Uit de door de minister overgelegde gegevens uit de meekijkapplicatie van Mijn DUO blijkt dat appellante besluit 1 op 20 augustus 2020 heeft geopend en hier niet tegen op is gekomen. Besluit 2 van 20 oktober 2022 is door appellante pas op 20 februari 2023 geopend. De omstandigheid dat op enig moment het door appellante opgegeven e-mailadres niet meer functioneerde, al dan niet door een update, en zij ook niet uit eigen beweging de website Mijn DUO heeft geraadpleegd moet voor haar rekening blijven. In beginsel is het de verantwoordelijkheid van appellante dat zij gebruik maakt van een functionerend e-mailadres. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een technische storing buiten haar invloedssfeer die zij niet heeft kunnen onderkennen, als gevolg waarvan zij over het besluit van 20 oktober 2022 geen notificatie heeft kunnen ontvangen. In dit verband heeft de minister nog opgemerkt dat hij niet eerder dan 14 maart 2023 een melding van onbestelbaarheid heeft gekregen waaruit viel op te maken dat e-mails aan appellante niet konden worden verstuurd. Bij brief van die zelfde datum is appellante hierop gewezen.
4.4.
Van een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb is gelet op dit alles geen sprake.
4.5.
Tot slot wordt overwogen dat het betoog dat het belang van appellante zwaarder weegt dan het belang van de minister, niet kan slagen. Volgens vaste rechtspraak zijn belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, bij de beoordeling van de toepasselijkheid van artikel 6:11 van de Awb niet relevant.
5. Omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S. Ploum (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 2:14
1. Een bestuursorgaan kan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.
(…)
Artikel 2:17
1. Als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is verzonden, geldt het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt of, indien het bestuursorgaan en de geadresseerde gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking, het tijdstip waarop het bericht toegankelijk wordt voor de geadresseerde.
(…)
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
(…)
Artikel 6:9
1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Wet studiefinanciering 2000.
Algemene wet bestuursrecht.
ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34.
College van Beroep voor het bedrijfsleven.
ECLI:NL:CRVB:2024:932, ECLI:NL:CRVB:2024:935 en ECLI:NL:CRVB:2024:972.
Onder andere ECLI:NL:CRVB:2024:935, punt 4.2.1.
Inleiding
24/442 WSFBSF-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 januari 2024, 23/3504 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 20 maart 2025
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Griffier: S. Ploum
Ter zitting zijn verschenen: mr. W. Boeters, advocaat, namens appellante. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Bouhuys.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep:
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek tot veroordeling van vergoeding van schade af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Overwegingen
1.1.
Appellante heeft de Bulgaarse nationaliteit. Zij heeft vanaf 1 september 2016 studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 ontvangen in de vorm van een collegegeldkrediet. Verder heeft appellante vanaf juni 2019 een lening en een reisvoorziening ontvangen en vanaf januari 2020 een aanvullende beurs.
1.2.
Met een besluit van 4 augustus 2020 (besluit 1) heeft de minister aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 1 september 2020 geen recht meer heeft op een aanvullende beurs, omdat zij het maximale aantal maanden prestatiebeurs voor haar opleiding heeft gebruikt. Appellante heeft nog maximaal 15 maanden recht op een reisvoorziening en kan nog maximaal 36 maanden lenen.
1.3.
Met een besluit van 20 oktober 2022 (besluit 2) heeft de minister aan appellante meegedeeld dat zij over maart tot en met december 2023 geen recht meer heeft op een reisvoorziening, omdat zij de volledige duur reisvoorziening voor een ho-opleiding heeft verbruikt.
1.4.
Appellante heeft op 26 februari 2023 bezwaar gemaakt tegen besluiten 1 en 2. Bij besluit van 13 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat is ingediend en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en een verzoek om toekenning van schadevergoeding afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellante ervoor gekozen heeft de berichten van DUO elektronisch te ontvangen. Het lag op de weg van appellante om die website in de gaten te houden op berichten over haar studiefinanciering. Dat appellante te laat kennis heeft genomen van de primaire besluiten en de daarin opgenomen rechtsmiddelenverwijzingen, moet voor haar risico blijven. Van een verschoonbare termijnoverschrijding kan in dit geval geen sprake zijn.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is, omdat er een e-mailprobleem was vanuit de Bulgaarse provider waarbij een update mogelijk een rol speelde. Appellante is van mening dat het belang van de minister bij strikte handhaving van termijnen niet opweegt tegen het belang van rechtsbescherming voor appellante. Tot slot is een verzoek tot veroordeling van schadevergoeding herhaald.
Beoordeling
4.1.
Niet in geschil is dat appellante te laat bezwaar heeft gemaakt tegen besluiten 1 en 2. In geschil is of overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.
4.2.
In de uitspraken van 30 januari 2024 heeft het CBb nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb in bestuursrechtelijke procedures. Voor de inhoud van het nieuwe beoordelingskader, in korte vorm weergegeven en toegespitst op zijn eigen zaken, verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 8 mei 2024.
4.3.
In het geval van appellante wordt het volgende overwogen. Appellante heeft bij aanvang van haar studie gekozen voor digitale bekendmaking van de berichten van de minister over studiefinanciering. Uit de door de minister overgelegde gegevens uit de meekijkapplicatie van Mijn DUO blijkt dat appellante besluit 1 op 20 augustus 2020 heeft geopend en hier niet tegen op is gekomen. Besluit 2 van 20 oktober 2022 is door appellante pas op 20 februari 2023 geopend. De omstandigheid dat op enig moment het door appellante opgegeven e-mailadres niet meer functioneerde, al dan niet door een update, en zij ook niet uit eigen beweging de website Mijn DUO heeft geraadpleegd moet voor haar rekening blijven. In beginsel is het de verantwoordelijkheid van appellante dat zij gebruik maakt van een functionerend e-mailadres. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een technische storing buiten haar invloedssfeer die zij niet heeft kunnen onderkennen, als gevolg waarvan zij over het besluit van 20 oktober 2022 geen notificatie heeft kunnen ontvangen. In dit verband heeft de minister nog opgemerkt dat hij niet eerder dan 14 maart 2023 een melding van onbestelbaarheid heeft gekregen waaruit viel op te maken dat e-mails aan appellante niet konden worden verstuurd. Bij brief van die zelfde datum is appellante hierop gewezen.
4.4.
Van een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb is gelet op dit alles geen sprake.
4.5.
Tot slot wordt overwogen dat het betoog dat het belang van appellante zwaarder weegt dan het belang van de minister, niet kan slagen. Volgens vaste rechtspraak zijn belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, bij de beoordeling van de toepasselijkheid van artikel 6:11 van de Awb niet relevant.
5. Omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S. Ploum (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 2:14
1. Een bestuursorgaan kan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.
(…)
Artikel 2:17
1. Als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is verzonden, geldt het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt of, indien het bestuursorgaan en de geadresseerde gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking, het tijdstip waarop het bericht toegankelijk wordt voor de geadresseerde.
(…)
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
(…)
Artikel 6:9
1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Wet studiefinanciering 2000.
Algemene wet bestuursrecht.
ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34.
College van Beroep voor het bedrijfsleven.
ECLI:NL:CRVB:2024:932, ECLI:NL:CRVB:2024:935 en ECLI:NL:CRVB:2024:972.
Onder andere ECLI:NL:CRVB:2024:935, punt 4.2.1.