Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-03-20
ECLI:NL:CRVB:2025:449
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
5,670 tokens
Inleiding
23/344 WAJONG
Datum uitspraak: 20 maart 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 16 december 2022, 20/6013 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft besloten om niet terug te komen van de weigering om appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante is met de diagnose ME/CVS sprake van nieuwe medische informatie waaruit blijkt dat zij op haar achttiende jaar jonggehandicapt was. De Raad volgt dit standpunt niet. Het Uwv heeft op goede gronden geen aanleiding gezien om van de weigering terug te komen. Verder is geen sprake van een verslechterde medische situatie in de vijf jaar na het achttiende jaar.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. H.S. Eisenberger, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 februari 2025. Voor appellante is verschenen mr. Eisenberger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1991, heeft op 1 september 2010 een aanvraag gedaan op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Bij besluit van 1 november 2010 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat appellante meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen.
1.2.
Op 24 maart 2015 heeft appellante een Wajong-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 18 mei 2015 heeft het Uwv appellante niet voor een Wajong-uitkering in aanmerking gebracht omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar.
1.3.
Bij brief van 11 november 2015 heeft appellante kenbaar gemaakt dat bij de internist en de huisarts is vastgesteld dat zij chronisch vermoeid is en het Uwv verzocht nogmaals naar haar zaak te kijken. Bij besluit van 18 januari 2016 heeft het Uwv geweigerd om van het besluit van 18 mei 2015 terug te komen.
1.4.
Met het formulier ‘Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen’, door het Uwv ontvangen op 4 maart 2019, heeft appellante opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Bij deze aanvraag heeft appellante informatie gevoegd van de psycholoog drs. K.M. Sloot van 14 mei 2017, de huisarts en een rapport van de GZ-psycholoog drs. C.E. Scheffer-Denslagen van 9 september 2016. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft deze aanvraag mede opgevat als een verzoek om terug te komen van de eerdere Wajong-beoordelingen en voor inwilliging van dit verzoek geen aanleiding gezien. Bij besluit van 24 juni 2019 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. In bezwaar heeft appellante informatie overgelegd van (onder meer) de vermoeidheidskliniek van 6 maart 2020 en 8 juni 2020 en een brief van de psychiater E. de Ruijter van 21 augustus 2020. Bij bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Volgens het Uwv bestaat geen aanleiding terug te komen van het besluit van 1 november 2010 omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Evenmin is – volgens dit besluit – gebleken dat vóór of op het 23e jaar van appellante sprake is van toegenomen beperkingen vanuit dezelfde ziekteoorzaak.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat de aanvraag van appellante is afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden en dus geen sprake is van een inhoudelijke beoordeling zoals door appellante gesteld. De door appellante overgelegde informatie van onder meer de huisarts, psycholoog en het ggz behelzen naar het oordeel van de rechtbank geen nieuwe feiten of omstandigheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemaakt dat de klachten die hebben geleid tot de thans gestelde diagnoses (ASS, ADHD en een verstandelijke beperking) reeds voldoende bij de eerdere beoordelingen zijn meegenomen.
2.2.
De diagnose ME/CVS is in september 2016 gesteld en uit de informatie van de psycholoog volgt dat de klachten na 2014 geleidelijk zijn toegenomen. Dit ziet niet op de periode in geding en kan dan ook niet als een (relevant) nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt. De rechtbank acht de weigering om terug te komen van de eerdere besluiten niet evident onredelijk.
2.3.
Ten aanzien van de duuraanspraak volgt de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn standpunt dat geen aanleiding bestaat de eerder vastgestelde beperkingen te herzien. De verzekeringsartsen worden ook gevolgd in hun conclusie dat van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na het achttiende jaar geen sprake is. Voor het benoemen van een deskundige wordt geen aanleiding gezien.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat in september 2015 ME/CVS is vastgesteld, maar dat deze ziekte en de daaruit volgende klachten al bestonden sinds de pubertijd. Toen was al sprake van toenemende vermoeidheidsklachten en cognitieve klachten zoals concentratieproblemen. Appellante verwijst naar het advies van de Gezondheidsraad over ME/CVS en stelt dat het Uwv de invaliderende gevolgen van deze ziekte heeft onderschat. Volgens appellante is de diagnose ME/CVS wel degelijk een nieuw gebleken feit en veranderde omstandigheid. Gelet op de concentratieproblemen en vermoeidheidsklachten heeft appellante geen arbeidsvermogen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Verzoek om terug te komen van het besluit van 1 november 2010
4.1.
Het Uwv heeft de op 4 maart 2019 ontvangen aanvraag van appellante opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 1 november 2010 en daarop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
4.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.3.
Gelet op wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd spitst het geschil zich toe op de – in 2015 – gestelde diagnose ME/CVS en de betekenis daarvan voor de Wajongbeoordeling in 2010. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de in 2015 gestelde diagnose ME/CVS geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.
4.4.
In de brief van de psycholoog Scheffer-Denslagen van 9 september 2016 staat expliciet dat (onder meer) de vermoeidheidsklachten pas bestaan sinds 2014 en sindsdien zijn toegenomen. Dat is dus ruimschoots na het achttiende jaar, zoals ook wordt geconcludeerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ook uit de andere door appellante overgelegde stukken blijkt niet dat appellante reeds in 2009 te maken had met vermoeidheidsklachten als gevolg van ME/CVS. Tijdens het spreekuur bij de verzekeringsarts op 12 november 2010 in het kader van de eerste Wajong-aanvraag heeft appellante geen vermoeidheidsklachten genoemd.
4.5.
Wat betreft de concentratieklachten stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat met deze klachten destijds rekening is gehouden. Uit geen van de door appellante overgelegde stukken van (onder meer) de vermoeidheidskliniek uit 2020 blijkt dat de thans gestelde diagnose ME/CVS een geheel ander licht werpt op de destijds – in 2010- aangenomen ernst van deze concentratieklachten. Wat appellante hierover heeft gesteld onder verwijzing naar het advies van de Gezondheidsraad, geldt in algemene zin, maar kan niet als een nieuw feit worden aangemerkt ten aanzien van het besluit van 1 november 2010 dat is genomen in de specifieke situatie van appellante. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt voorts niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
4.6.
Gelet op wat hierboven is overwogen, wordt de rechtbank eveneens gevolgd in haar oordeel over herziening voor de toekomst.
Aanspraak op grond van de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid
4.7.
Beoordeling
4.8.
Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, wordt geen aanleiding gezien om over te gaan tot benoeming van een onafhankelijke deskundige, zoals door appellante ter zitting is verzocht.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van A.M. Geurtsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2025.
(getekend) W.R. van der Velde
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
Inleiding
23/344 WAJONG
Datum uitspraak: 20 maart 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 16 december 2022, 20/6013 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft besloten om niet terug te komen van de weigering om appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante is met de diagnose ME/CVS sprake van nieuwe medische informatie waaruit blijkt dat zij op haar achttiende jaar jonggehandicapt was. De Raad volgt dit standpunt niet. Het Uwv heeft op goede gronden geen aanleiding gezien om van de weigering terug te komen. Verder is geen sprake van een verslechterde medische situatie in de vijf jaar na het achttiende jaar.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. H.S. Eisenberger, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 februari 2025. Voor appellante is verschenen mr. Eisenberger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1991, heeft op 1 september 2010 een aanvraag gedaan op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Bij besluit van 1 november 2010 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat appellante meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen.
1.2.
Op 24 maart 2015 heeft appellante een Wajong-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 18 mei 2015 heeft het Uwv appellante niet voor een Wajong-uitkering in aanmerking gebracht omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar.
1.3.
Bij brief van 11 november 2015 heeft appellante kenbaar gemaakt dat bij de internist en de huisarts is vastgesteld dat zij chronisch vermoeid is en het Uwv verzocht nogmaals naar haar zaak te kijken. Bij besluit van 18 januari 2016 heeft het Uwv geweigerd om van het besluit van 18 mei 2015 terug te komen.
1.4.
Met het formulier ‘Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen’, door het Uwv ontvangen op 4 maart 2019, heeft appellante opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Bij deze aanvraag heeft appellante informatie gevoegd van de psycholoog drs. K.M. Sloot van 14 mei 2017, de huisarts en een rapport van de GZ-psycholoog drs. C.E. Scheffer-Denslagen van 9 september 2016. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft deze aanvraag mede opgevat als een verzoek om terug te komen van de eerdere Wajong-beoordelingen en voor inwilliging van dit verzoek geen aanleiding gezien. Bij besluit van 24 juni 2019 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. In bezwaar heeft appellante informatie overgelegd van (onder meer) de vermoeidheidskliniek van 6 maart 2020 en 8 juni 2020 en een brief van de psychiater E. de Ruijter van 21 augustus 2020. Bij bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Volgens het Uwv bestaat geen aanleiding terug te komen van het besluit van 1 november 2010 omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Evenmin is – volgens dit besluit – gebleken dat vóór of op het 23e jaar van appellante sprake is van toegenomen beperkingen vanuit dezelfde ziekteoorzaak.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat de aanvraag van appellante is afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden en dus geen sprake is van een inhoudelijke beoordeling zoals door appellante gesteld. De door appellante overgelegde informatie van onder meer de huisarts, psycholoog en het ggz behelzen naar het oordeel van de rechtbank geen nieuwe feiten of omstandigheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemaakt dat de klachten die hebben geleid tot de thans gestelde diagnoses (ASS, ADHD en een verstandelijke beperking) reeds voldoende bij de eerdere beoordelingen zijn meegenomen.
2.2.
De diagnose ME/CVS is in september 2016 gesteld en uit de informatie van de psycholoog volgt dat de klachten na 2014 geleidelijk zijn toegenomen. Dit ziet niet op de periode in geding en kan dan ook niet als een (relevant) nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt. De rechtbank acht de weigering om terug te komen van de eerdere besluiten niet evident onredelijk.
2.3.
Ten aanzien van de duuraanspraak volgt de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn standpunt dat geen aanleiding bestaat de eerder vastgestelde beperkingen te herzien. De verzekeringsartsen worden ook gevolgd in hun conclusie dat van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na het achttiende jaar geen sprake is. Voor het benoemen van een deskundige wordt geen aanleiding gezien.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat in september 2015 ME/CVS is vastgesteld, maar dat deze ziekte en de daaruit volgende klachten al bestonden sinds de pubertijd. Toen was al sprake van toenemende vermoeidheidsklachten en cognitieve klachten zoals concentratieproblemen. Appellante verwijst naar het advies van de Gezondheidsraad over ME/CVS en stelt dat het Uwv de invaliderende gevolgen van deze ziekte heeft onderschat. Volgens appellante is de diagnose ME/CVS wel degelijk een nieuw gebleken feit en veranderde omstandigheid. Gelet op de concentratieproblemen en vermoeidheidsklachten heeft appellante geen arbeidsvermogen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Verzoek om terug te komen van het besluit van 1 november 2010
4.1.
Het Uwv heeft de op 4 maart 2019 ontvangen aanvraag van appellante opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 1 november 2010 en daarop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
4.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.3.
Gelet op wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd spitst het geschil zich toe op de – in 2015 – gestelde diagnose ME/CVS en de betekenis daarvan voor de Wajongbeoordeling in 2010. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de in 2015 gestelde diagnose ME/CVS geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.
4.4.
In de brief van de psycholoog Scheffer-Denslagen van 9 september 2016 staat expliciet dat (onder meer) de vermoeidheidsklachten pas bestaan sinds 2014 en sindsdien zijn toegenomen. Dat is dus ruimschoots na het achttiende jaar, zoals ook wordt geconcludeerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ook uit de andere door appellante overgelegde stukken blijkt niet dat appellante reeds in 2009 te maken had met vermoeidheidsklachten als gevolg van ME/CVS. Tijdens het spreekuur bij de verzekeringsarts op 12 november 2010 in het kader van de eerste Wajong-aanvraag heeft appellante geen vermoeidheidsklachten genoemd.
4.5.
Wat betreft de concentratieklachten stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat met deze klachten destijds rekening is gehouden. Uit geen van de door appellante overgelegde stukken van (onder meer) de vermoeidheidskliniek uit 2020 blijkt dat de thans gestelde diagnose ME/CVS een geheel ander licht werpt op de destijds – in 2010- aangenomen ernst van deze concentratieklachten. Wat appellante hierover heeft gesteld onder verwijzing naar het advies van de Gezondheidsraad, geldt in algemene zin, maar kan niet als een nieuw feit worden aangemerkt ten aanzien van het besluit van 1 november 2010 dat is genomen in de specifieke situatie van appellante. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt voorts niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
4.6.
Gelet op wat hierboven is overwogen, wordt de rechtbank eveneens gevolgd in haar oordeel over herziening voor de toekomst.
Aanspraak op grond van de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid
4.7.
Beoordeling
4.8.
Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, wordt geen aanleiding gezien om over te gaan tot benoeming van een onafhankelijke deskundige, zoals door appellante ter zitting is verzocht.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van A.M. Geurtsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2025.
(getekend) W.R. van der Velde
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.