Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-03-20
ECLI:NL:CRVB:2025:441
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,944 tokens
Inleiding
24/876 WMO15
Datum uitspraak: 20 maart 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2024, 23/1765 en 23/1768 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de vraag of het college de omvang van de maatwerkvoorziening voor aanvullende individuele ondersteuning terecht heeft vastgesteld op twee uur per week. Daarnaast gaat het om de hoogte van het persoonsgebonden budget. Appellant stelt dat hij meer ondersteuning moet krijgen en het persoonsgebonden budget hoger moet worden vastgesteld. Ook vindt appellant dat hij recht heeft op dwangsommen, omdat het college er te lang over heeft gedaan om op zijn bezwaren te beslissen. De Raad geeft hem in hoger beroep geen gelijk.
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 25 oktober 2024 heeft mr. drs. C.M.E. Schreinemacher zich als advocaat van appellant gesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 februari 2025. Namens appellant zijn diens begeleider [naam begeleider] en mr. drs. Schreinemacher verschenen. Het college is niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1959, heeft op 24 maart 2022 een verlenging aangevraagd van zijn maatwerkvoorziening aanvullende individuele ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Het college heeft het Indicatieadviesbureau Amsterdam (IAB) gevraagd om advies. Met een besluit van 13 september 2022, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 februari 2023 (bestreden besluit 1), heeft het college het advies van het IAB overgenomen en aan appellant een maatwerkvoorziening aanvullende individuele ondersteuning verstrekt voor twee uur per week voor de periode van 1 mei 2022 tot en met 30 april 2023, in de vorm van een pgb.
1.2.
Met een besluit van 29 december 2022, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 februari 2023 (bestreden besluit 2), heeft het college de hoogte van het pgb voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 april 2023 vastgesteld, op basis van het nieuwe uurtarief voor aanvullende individuele ondersteuning.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft met betrekking tot bestreden besluit 1 geoordeeld dat het college onderzoek mocht laten uitvoeren door het IAB en dat het college de besluitvorming mocht baseren op het advies van het IAB. Het onderzoek is vormvrij en appellant heeft niet aangevoerd waarom het advies van het IAB inhoudelijk niet deugt. De rechtbank heeft met betrekking tot bestreden besluit 2 overwogen dat de gemeente elk jaar in december de tarieven voor het komende jaar vaststelt. Op basis daarvan heeft het college vervolgens de omvang van het pgb bepaald. De besluitvorming over het aantal uren zorg waarop het pgb wordt gebaseerd, staat los van de algemene wijzigingen in de uurtarieven die worden doorgevoerd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college appellant geen dwangsom verschuldigd is. In beide zaken heeft appellant geen schriftelijke ingebrekestelling naar het college verstuurd, waardoor niet is voldaan aan de vereisten voor het toekennen van een dwangsom.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Wat appellant heeft aangevoerd is in de kern een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de hiervoor weergegeven overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, en neemt deze overwegingen over. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
4.2.
Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat, anders dan het IAB heeft geconcludeerd, twee uur aanvullende individuele ondersteuning onvoldoende is. De enkele omstandigheid dat appellant in het verleden meer ondersteuning ontving, volstaat niet.
Conclusie
4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van N. Benhaddou als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2025.
(getekend) J.J. Janssen
De griffier is verhinderd te ondertekenen
Inleiding
24/876 WMO15
Datum uitspraak: 20 maart 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2024, 23/1765 en 23/1768 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de vraag of het college de omvang van de maatwerkvoorziening voor aanvullende individuele ondersteuning terecht heeft vastgesteld op twee uur per week. Daarnaast gaat het om de hoogte van het persoonsgebonden budget. Appellant stelt dat hij meer ondersteuning moet krijgen en het persoonsgebonden budget hoger moet worden vastgesteld. Ook vindt appellant dat hij recht heeft op dwangsommen, omdat het college er te lang over heeft gedaan om op zijn bezwaren te beslissen. De Raad geeft hem in hoger beroep geen gelijk.
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 25 oktober 2024 heeft mr. drs. C.M.E. Schreinemacher zich als advocaat van appellant gesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 februari 2025. Namens appellant zijn diens begeleider [naam begeleider] en mr. drs. Schreinemacher verschenen. Het college is niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1959, heeft op 24 maart 2022 een verlenging aangevraagd van zijn maatwerkvoorziening aanvullende individuele ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Het college heeft het Indicatieadviesbureau Amsterdam (IAB) gevraagd om advies. Met een besluit van 13 september 2022, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 februari 2023 (bestreden besluit 1), heeft het college het advies van het IAB overgenomen en aan appellant een maatwerkvoorziening aanvullende individuele ondersteuning verstrekt voor twee uur per week voor de periode van 1 mei 2022 tot en met 30 april 2023, in de vorm van een pgb.
1.2.
Met een besluit van 29 december 2022, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 februari 2023 (bestreden besluit 2), heeft het college de hoogte van het pgb voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 april 2023 vastgesteld, op basis van het nieuwe uurtarief voor aanvullende individuele ondersteuning.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft met betrekking tot bestreden besluit 1 geoordeeld dat het college onderzoek mocht laten uitvoeren door het IAB en dat het college de besluitvorming mocht baseren op het advies van het IAB. Het onderzoek is vormvrij en appellant heeft niet aangevoerd waarom het advies van het IAB inhoudelijk niet deugt. De rechtbank heeft met betrekking tot bestreden besluit 2 overwogen dat de gemeente elk jaar in december de tarieven voor het komende jaar vaststelt. Op basis daarvan heeft het college vervolgens de omvang van het pgb bepaald. De besluitvorming over het aantal uren zorg waarop het pgb wordt gebaseerd, staat los van de algemene wijzigingen in de uurtarieven die worden doorgevoerd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college appellant geen dwangsom verschuldigd is. In beide zaken heeft appellant geen schriftelijke ingebrekestelling naar het college verstuurd, waardoor niet is voldaan aan de vereisten voor het toekennen van een dwangsom.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Wat appellant heeft aangevoerd is in de kern een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de hiervoor weergegeven overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, en neemt deze overwegingen over. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
4.2.
Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat, anders dan het IAB heeft geconcludeerd, twee uur aanvullende individuele ondersteuning onvoldoende is. De enkele omstandigheid dat appellant in het verleden meer ondersteuning ontving, volstaat niet.
Conclusie
4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van N. Benhaddou als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2025.
(getekend) J.J. Janssen
De griffier is verhinderd te ondertekenen