Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-03-19
ECLI:NL:CRVB:2025:429
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
5,916 tokens
Inleiding
24/1502 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 mei 2024, 22/2583 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 maart 2025
SAMENVATTING
Het gaat in dit geding om de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van zijn besluit van 23 oktober 2013 waarbij appellant met ingang van 22 november 2013 een WIA-uitkering is geweigerd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daarnaast gaat het om de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering (ook) voor de toekomst niet heeft herzien op basis van de rechtspraak over duuraanspraken en of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per januari 2018 of 23 oktober 2018 een WIA-uitkering toe te kennen wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid op basis van dezelfde ziekteoorzaak. De Raad beantwoordt deze vragen bevestigend. Dit betekent dat appellant geen WIA-uitkering krijgt.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M. Çankaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Çankaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Appellant heeft zich op 25 november 2011, vanuit een situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziekgemeld. Na het doorlopen van de wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2013 geweigerd appellant per 22 november 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kenen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft hiertegen bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld, maar de weigering om appellant een WIA-uitkering toe te kennen is in stand gebleven.
1.2.
Op 23 oktober 2018 heeft appellant een wijzigingsformulier ingediend. Daarop heeft hij vermeld dat zijn gezondheidssituatie per 22 november 2013 is gewijzigd, omdat er een (andere) diagnose is gesteld. Bij besluit van 18 februari 2019 (primaire besluit) heeft het Uwv geweigerd terug te komen van zijn besluit van 23 oktober 2013. Er is weliswaar een nieuwe medische aandoening ontdekt, maar hiermee zijn geen nieuwe medische feiten en omstandigheden aangereikt die anders doen oordelen over de belastbaarheid in 2013.
1.3.
Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit heeft het Uwv hem verzocht de melding van 23 oktober 2018 nader te duiden. In reactie daarop heeft appellant meegedeeld dat hij met deze melding niet alleen een herzieningsverzoek heeft beoogd, maar ook een beroep doet op de rechtspraak over duuraanspraken en een toenameclaim (Amber-verzoek) per januari 2018 of 23 oktober 2018.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 14 september 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard, omdat het primaire besluit is aangevuld met een afwijzing van het beroep op een duuraanspraak en een afwijzing van de toenameclaim per januari 2018 of 23 oktober 2018. Appellant krijgt echter geen WIA-uitkering. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd ten aanzien van de beslissing van 23 oktober 2013, dat het beroep op de rechtspraak over duuraanspraken niet slaagt omdat er geen reden is de vastgestelde belastbaarheid per 22 november 2013 voor onjuist te achten en dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak per januari 2018 of 23 oktober 2018. Daarbij is verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep met als kenmerk 2022C.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.1.
Met betrekking tot het verzoek om terug te komen van het besluit van 22 november 2013 heeft de rechtbank voorop gesteld dat het Uwv desgevraagd ter zitting heeft verklaard niet alleen te hebben beoordeeld of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, maar ook een inhoudelijke beoordeling heeft gedaan. De rechtbank heeft daarom de inhoudelijke beoordeling getoetst en zich niet beperkt tot de vraag of er nieuw gebleken feiten en omstandigheden zijn.
2.2.
Appellant heeft betoogd dat hij vanaf 2011 steeds dezelfde klachten heeft gehad. Bij de beoordeling op zijn WIA-aanvraag in 2013 werden deze toegeschreven aan een hernia. Vanaf 2016 bleken er andere diagnoses, namelijk een incomplete dwarslaesie en een tumor. Volgens appellant zijn deze diagnoses vanaf 2011 de reden geweest van zijn klachten en leiden deze diagnoses tot meer beperkingen. Het feit dat de operatie aan de hernia niet succesvol is geweest en de klachten zijn gebleven, wijst er volgens appellant op dat zijn klachten in 2013 niet enkel voortkwamen uit een hernia.
2.3.
De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat hij aldoor dezelfde klachten heeft gehad. Volgens de door appellant ingediende medische stukken in het dossier en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep met kenmerk 2022C, zijn de klachten aan de nek, schouders en armen later ontstaan. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de brieven van neurochirurg Lie van 24 maart 2021, neuroloog Delnooz van 22 februari 2022, neurochirurg Lie van 21 januari 2019, neuroloog Delnooz van 22 maart 2021, het huisartsenjournaal van de huisarts van appellant en de brief van pijnbehandelaar Custers van 17 januari 2014. De rechtbank heeft er verder op gewezen dat appellant ten tijde van de beoordeling in 2013 geen melding heeft gemaakt van klachten aan zijn armen en de rechtbank heeft in het dossier ook geen medische informatie aangetroffen die onderbouwt dat appellant toen klachten aan zijn armen had. Omdat er geen sprake is van dezelfde klachten als in 2011/2013, is de rechtbank van oordeel dat het Uwv geen aanleiding had om het besluit van 23 oktober 2013 te herzien voor het verleden. Voor zover er zou moeten worden uitgegaan van een andere diagnose, is onvoldoende onderbouwd dat de beperkingen in 2013 onjuist zijn vastgesteld.
2.4.
Met betrekking tot de vraag of het besluit van 23 oktober 2013 voor de toekomst moet worden herzien heeft de rechtbank vooropgesteld dat uit rechtspraak van de Raad blijkt dat indien een aanvraag wordt gedaan waarbij (ook) voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een eerder besluit, de aanvrager feiten en omstandigheden moet vermelden die aanleiding (kunnen) geven tot een ander, voor de aanvrager gunstiger, besluit dan het besluit waarvan herziening wordt gevraagd. De aanvraag moet deugdelijk en toereikend worden onderbouwd en voor zover mogelijk worden voorzien van relevant bewijs.
2.5.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de beroepsgrond van appellant dat het besluit van 23 oktober 2013 voor de toekomst moet worden herzien, niet slaagt. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar zijn eerdere overwegingen, welke hiervoor zijn verwoord onder 2.3. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat wat hij heeft aangevoerd, tot een voor hem gunstiger besluit had kunnen leiden.
2.6.
Met betrekking tot de vraag of sprake is van toegenomen klachten door dezelfde ziekteoorzaak per januari 2018 of 23 oktober 2018 heeft appellant aangevoerd dat hij sinds 2011 dezelfde klachten heeft. Hij heeft daarbij gewezen op een rapport van Houberg Advies van 26 april 2022, waarin arbeidsdeskundige Houberg en medisch adviseur Bernaert zich op het standpunt stellen dat het niet van belang is wat precies de oorzaak is van de rugklachten van appellant. Appellant heeft tevens aangevoerd dat vaste rechtspraak vereist dat het Uwv moet aantonen dat buiten twijfel staat dat de klachten niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak.
2.7.
De rechtbank heeft deze beroepsgrond aldus begrepen dat appellant doelt op de uitspraak van de Raad van 5 oktober 2022, waaruit volgt dat het Uwv moet aantonen dat buiten twijfel staat dat de klachten niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv dit aangetoond. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport met kenmerk 2022C toegelicht dat per januari 2018 en per 23 oktober 2018 inderdaad sprake is van uitgebreide klachten, maar dat deze klachten het gevolg zijn van een nekafwijking. Het betreft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuwe ziekteoorzaak, namelijk een myelum afwijking cervicaal ter hoogte van C6 die uiteindelijk niet nader gespecificeerd is. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin gevolgd, omdat de brieven van de behandelaars van appellant hiermee in overeenstemming zijn. Voor het standpunt van het Uwv dat er ten tijde van de WIA-beoordeling in 2013 nog geen sprake was van een nekafwijking ten gevolge van een myelum heeft de rechtbank steun gevonden in brieven van neurochirurg Burhani van 20 juni 2012, neuroloog Beijer van 12 december 2013 en de brieven van neurochirurg Lie.
Beoordeling
4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. In wat appellant in hoger beroep daartegen heeft aangevoerd en ter zitting nader heeft toegelicht, worden geen aanknopingspunten gevonden voor een andersluidend oordeel.
4.2.
Daaraan wordt toegevoegd dat in de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv en de beschikbare medisch specialistische informatie geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het ter zitting door appellant naar voren gebrachte standpunt dat ten tijde van de melding in 2018 ook sprake was van een toename van de lage rugklachten en de pijnklachten in het linkerbeen.
4.3.
Bij het ontbreken van twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit is er geen reden om een deskundige te benoemen. Het verzoek daartoe van appellant wordt daarom afgewezen.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2025.
(getekend) W.R. van der Velde
(getekend) A.M. Korver
CRvB 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.
Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, ten 1e van de Wet WIA.
CRvB 20 december 2016; ECLI:NL:CRVB:2016:4872.
CRvB 14 januari 2015; ECLI:NL:CRVB:2015:1.
CRvB 5 oktober 2022; ECLI:NL:CRVB:2022:2172.
Inleiding
24/1502 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 mei 2024, 22/2583 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 maart 2025
SAMENVATTING
Het gaat in dit geding om de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van zijn besluit van 23 oktober 2013 waarbij appellant met ingang van 22 november 2013 een WIA-uitkering is geweigerd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daarnaast gaat het om de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering (ook) voor de toekomst niet heeft herzien op basis van de rechtspraak over duuraanspraken en of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per januari 2018 of 23 oktober 2018 een WIA-uitkering toe te kennen wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid op basis van dezelfde ziekteoorzaak. De Raad beantwoordt deze vragen bevestigend. Dit betekent dat appellant geen WIA-uitkering krijgt.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M. Çankaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Çankaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Appellant heeft zich op 25 november 2011, vanuit een situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziekgemeld. Na het doorlopen van de wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2013 geweigerd appellant per 22 november 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kenen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft hiertegen bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld, maar de weigering om appellant een WIA-uitkering toe te kennen is in stand gebleven.
1.2.
Op 23 oktober 2018 heeft appellant een wijzigingsformulier ingediend. Daarop heeft hij vermeld dat zijn gezondheidssituatie per 22 november 2013 is gewijzigd, omdat er een (andere) diagnose is gesteld. Bij besluit van 18 februari 2019 (primaire besluit) heeft het Uwv geweigerd terug te komen van zijn besluit van 23 oktober 2013. Er is weliswaar een nieuwe medische aandoening ontdekt, maar hiermee zijn geen nieuwe medische feiten en omstandigheden aangereikt die anders doen oordelen over de belastbaarheid in 2013.
1.3.
Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit heeft het Uwv hem verzocht de melding van 23 oktober 2018 nader te duiden. In reactie daarop heeft appellant meegedeeld dat hij met deze melding niet alleen een herzieningsverzoek heeft beoogd, maar ook een beroep doet op de rechtspraak over duuraanspraken en een toenameclaim (Amber-verzoek) per januari 2018 of 23 oktober 2018.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 14 september 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard, omdat het primaire besluit is aangevuld met een afwijzing van het beroep op een duuraanspraak en een afwijzing van de toenameclaim per januari 2018 of 23 oktober 2018. Appellant krijgt echter geen WIA-uitkering. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd ten aanzien van de beslissing van 23 oktober 2013, dat het beroep op de rechtspraak over duuraanspraken niet slaagt omdat er geen reden is de vastgestelde belastbaarheid per 22 november 2013 voor onjuist te achten en dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak per januari 2018 of 23 oktober 2018. Daarbij is verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep met als kenmerk 2022C.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.1.
Met betrekking tot het verzoek om terug te komen van het besluit van 22 november 2013 heeft de rechtbank voorop gesteld dat het Uwv desgevraagd ter zitting heeft verklaard niet alleen te hebben beoordeeld of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, maar ook een inhoudelijke beoordeling heeft gedaan. De rechtbank heeft daarom de inhoudelijke beoordeling getoetst en zich niet beperkt tot de vraag of er nieuw gebleken feiten en omstandigheden zijn.
2.2.
Appellant heeft betoogd dat hij vanaf 2011 steeds dezelfde klachten heeft gehad. Bij de beoordeling op zijn WIA-aanvraag in 2013 werden deze toegeschreven aan een hernia. Vanaf 2016 bleken er andere diagnoses, namelijk een incomplete dwarslaesie en een tumor. Volgens appellant zijn deze diagnoses vanaf 2011 de reden geweest van zijn klachten en leiden deze diagnoses tot meer beperkingen. Het feit dat de operatie aan de hernia niet succesvol is geweest en de klachten zijn gebleven, wijst er volgens appellant op dat zijn klachten in 2013 niet enkel voortkwamen uit een hernia.
2.3.
De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat hij aldoor dezelfde klachten heeft gehad. Volgens de door appellant ingediende medische stukken in het dossier en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep met kenmerk 2022C, zijn de klachten aan de nek, schouders en armen later ontstaan. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de brieven van neurochirurg Lie van 24 maart 2021, neuroloog Delnooz van 22 februari 2022, neurochirurg Lie van 21 januari 2019, neuroloog Delnooz van 22 maart 2021, het huisartsenjournaal van de huisarts van appellant en de brief van pijnbehandelaar Custers van 17 januari 2014. De rechtbank heeft er verder op gewezen dat appellant ten tijde van de beoordeling in 2013 geen melding heeft gemaakt van klachten aan zijn armen en de rechtbank heeft in het dossier ook geen medische informatie aangetroffen die onderbouwt dat appellant toen klachten aan zijn armen had. Omdat er geen sprake is van dezelfde klachten als in 2011/2013, is de rechtbank van oordeel dat het Uwv geen aanleiding had om het besluit van 23 oktober 2013 te herzien voor het verleden. Voor zover er zou moeten worden uitgegaan van een andere diagnose, is onvoldoende onderbouwd dat de beperkingen in 2013 onjuist zijn vastgesteld.
2.4.
Met betrekking tot de vraag of het besluit van 23 oktober 2013 voor de toekomst moet worden herzien heeft de rechtbank vooropgesteld dat uit rechtspraak van de Raad blijkt dat indien een aanvraag wordt gedaan waarbij (ook) voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een eerder besluit, de aanvrager feiten en omstandigheden moet vermelden die aanleiding (kunnen) geven tot een ander, voor de aanvrager gunstiger, besluit dan het besluit waarvan herziening wordt gevraagd. De aanvraag moet deugdelijk en toereikend worden onderbouwd en voor zover mogelijk worden voorzien van relevant bewijs.
2.5.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de beroepsgrond van appellant dat het besluit van 23 oktober 2013 voor de toekomst moet worden herzien, niet slaagt. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar zijn eerdere overwegingen, welke hiervoor zijn verwoord onder 2.3. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat wat hij heeft aangevoerd, tot een voor hem gunstiger besluit had kunnen leiden.
2.6.
Met betrekking tot de vraag of sprake is van toegenomen klachten door dezelfde ziekteoorzaak per januari 2018 of 23 oktober 2018 heeft appellant aangevoerd dat hij sinds 2011 dezelfde klachten heeft. Hij heeft daarbij gewezen op een rapport van Houberg Advies van 26 april 2022, waarin arbeidsdeskundige Houberg en medisch adviseur Bernaert zich op het standpunt stellen dat het niet van belang is wat precies de oorzaak is van de rugklachten van appellant. Appellant heeft tevens aangevoerd dat vaste rechtspraak vereist dat het Uwv moet aantonen dat buiten twijfel staat dat de klachten niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak.
2.7.
De rechtbank heeft deze beroepsgrond aldus begrepen dat appellant doelt op de uitspraak van de Raad van 5 oktober 2022, waaruit volgt dat het Uwv moet aantonen dat buiten twijfel staat dat de klachten niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv dit aangetoond. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport met kenmerk 2022C toegelicht dat per januari 2018 en per 23 oktober 2018 inderdaad sprake is van uitgebreide klachten, maar dat deze klachten het gevolg zijn van een nekafwijking. Het betreft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuwe ziekteoorzaak, namelijk een myelum afwijking cervicaal ter hoogte van C6 die uiteindelijk niet nader gespecificeerd is. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin gevolgd, omdat de brieven van de behandelaars van appellant hiermee in overeenstemming zijn. Voor het standpunt van het Uwv dat er ten tijde van de WIA-beoordeling in 2013 nog geen sprake was van een nekafwijking ten gevolge van een myelum heeft de rechtbank steun gevonden in brieven van neurochirurg Burhani van 20 juni 2012, neuroloog Beijer van 12 december 2013 en de brieven van neurochirurg Lie.
Beoordeling
4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. In wat appellant in hoger beroep daartegen heeft aangevoerd en ter zitting nader heeft toegelicht, worden geen aanknopingspunten gevonden voor een andersluidend oordeel.
4.2.
Daaraan wordt toegevoegd dat in de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv en de beschikbare medisch specialistische informatie geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het ter zitting door appellant naar voren gebrachte standpunt dat ten tijde van de melding in 2018 ook sprake was van een toename van de lage rugklachten en de pijnklachten in het linkerbeen.
4.3.
Bij het ontbreken van twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit is er geen reden om een deskundige te benoemen. Het verzoek daartoe van appellant wordt daarom afgewezen.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2025.
(getekend) W.R. van der Velde
(getekend) A.M. Korver
CRvB 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.
Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, ten 1e van de Wet WIA.
CRvB 20 december 2016; ECLI:NL:CRVB:2016:4872.
CRvB 14 januari 2015; ECLI:NL:CRVB:2015:1.
CRvB 5 oktober 2022; ECLI:NL:CRVB:2022:2172.