Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-09
ECLI:NL:CRVB:2025:40
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,712 tokens
Inleiding
23/895 WMO15
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
7 februari 2023, 22/4635 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (college)
SAMENVATTING
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is het aan het college, redelijkerwijs rekening houdend met de voorkeur van de cliënt, om te besluiten op welke wijze wordt voorzien in een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie. Dit gaat echter niet zo ver dat de voorkeur van een cliënt bepalend is voor de keuze van de aanbieder met wie het college een overeenkomst sluit. Bepalend is of de verstrekte maatwerkvoorziening passend is.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 oktober 2024. Namens appellant zijn verschenen mr. Kaya en zijn moeder, [naam moeder] . Ook [naam vader] , de vader van appellant, was aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Vinagre de Freitas. Verder was aanwezig [naam] van zorgaanbieder [ naam zorgaanbieder 1] .
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1979, ondervindt beperkingen bij de participatie in de leefomgeving, zijn zelfredzaamheid en in de huishouding. Appellant woont in een zelfstandige woning. Appellant ontvangt al jarenlang een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor individuele begeleiding en voor hulp bij het huishouden. Zorgaanbieder [ naam zorgaanbieder 1] en zijn rechtsvoorganger hebben ongeveer twintig jaar de individuele begeleiding verleend. Vanwege het aflopen van de indicatie voor individuele begeleiding heeft appellant zich opnieuw gemeld bij het college.
1.2.
Met een besluit van 26 april 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 9 augustus 2022 (bestreden besluit), heeft het college op grond van de Wmo 2015 voor de periode van 1 mei 2022 tot en met 30 april 2023 aan appellant een maatwerkvoorziening in de vorm van individuele begeleiding verstrekt. Daarbij heeft het college bepaald dat de individuele begeleiding niet wordt geleverd door [ naam zorgaanbieder 1] , maar door een andere zorgaanbieder, namelijk [naam zorgaanbieder 2] . Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat bij [ naam zorgaanbieder 1] een vertrouwensbasis ontbreekt en dat [ naam zorgaanbieder 1] door de moeizame verstandhouding met de ouders van appellant geen doelmatige ondersteuning meer kan leveren.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep van belang is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant heeft naar voren gebracht dat het voor hem belangrijk is dat [ naam zorgaanbieder 1] de individuele begeleiding levert. De reden hiervoor is dat [ naam zorgaanbieder 1] hem al ongeveer twintig jaar zorg verleent, waardoor hij gewend is geraakt aan de begeleiders, het systeem en de accommodaties en hij daar vrienden en kennissen heeft. Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat de individuele begeleiding door [naam zorgaanbieder 2] geen passende bijdrage levert aan zijn zelfredzaamheid of participatie, omdat hij zich daar niet thuis voelt.
4.2.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is het aan het college, redelijkerwijs rekening houdend met de voorkeur van de cliënt, om te besluiten op welke wijze wordt voorzien in een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie. Maar dit ‘rekening houden’ gaat niet zo ver dat de voorkeur van een cliënt bepalend is voor de keuze van de aanbieder met wie het college een overeenkomst sluit. Bepalend is of de verstrekte maatwerkvoorziening passend is.
4.3.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verstrekte maatwerkvoorziening niet passend is. Zoals ter zitting is toegelicht, is appellant tevreden over de individuele begeleiding die door [naam zorgaanbieder 2] wordt geleverd. De begeleiding is altijd aanwezig en de voor appellant en zijn ouders van belang zijnde verslagen van de begeleiding worden altijd gemaakt. Daarnaast mag appellant nog op de locaties van [ naam zorgaanbieder 1] komen en contact hebben met de cliënten die daar wonen, hetgeen voor hem belangrijk is. Dat appellant zich nog niet thuis voelt bij [naam zorgaanbieder 2] , maakt niet dat de verstrekte maatwerkvoorziening niet passend is.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en krijgt hij evenmin het betaalde griffierecht terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders als voorzitter en K.M.P. Jacobs en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2025.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) M. Dafir
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.5, derde lid
Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
Zie de uitspraak van 10 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2784.
Inleiding
23/895 WMO15
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
7 februari 2023, 22/4635 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (college)
SAMENVATTING
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is het aan het college, redelijkerwijs rekening houdend met de voorkeur van de cliënt, om te besluiten op welke wijze wordt voorzien in een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie. Dit gaat echter niet zo ver dat de voorkeur van een cliënt bepalend is voor de keuze van de aanbieder met wie het college een overeenkomst sluit. Bepalend is of de verstrekte maatwerkvoorziening passend is.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 oktober 2024. Namens appellant zijn verschenen mr. Kaya en zijn moeder, [naam moeder] . Ook [naam vader] , de vader van appellant, was aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Vinagre de Freitas. Verder was aanwezig [naam] van zorgaanbieder [ naam zorgaanbieder 1] .
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1979, ondervindt beperkingen bij de participatie in de leefomgeving, zijn zelfredzaamheid en in de huishouding. Appellant woont in een zelfstandige woning. Appellant ontvangt al jarenlang een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor individuele begeleiding en voor hulp bij het huishouden. Zorgaanbieder [ naam zorgaanbieder 1] en zijn rechtsvoorganger hebben ongeveer twintig jaar de individuele begeleiding verleend. Vanwege het aflopen van de indicatie voor individuele begeleiding heeft appellant zich opnieuw gemeld bij het college.
1.2.
Met een besluit van 26 april 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 9 augustus 2022 (bestreden besluit), heeft het college op grond van de Wmo 2015 voor de periode van 1 mei 2022 tot en met 30 april 2023 aan appellant een maatwerkvoorziening in de vorm van individuele begeleiding verstrekt. Daarbij heeft het college bepaald dat de individuele begeleiding niet wordt geleverd door [ naam zorgaanbieder 1] , maar door een andere zorgaanbieder, namelijk [naam zorgaanbieder 2] . Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat bij [ naam zorgaanbieder 1] een vertrouwensbasis ontbreekt en dat [ naam zorgaanbieder 1] door de moeizame verstandhouding met de ouders van appellant geen doelmatige ondersteuning meer kan leveren.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep van belang is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant heeft naar voren gebracht dat het voor hem belangrijk is dat [ naam zorgaanbieder 1] de individuele begeleiding levert. De reden hiervoor is dat [ naam zorgaanbieder 1] hem al ongeveer twintig jaar zorg verleent, waardoor hij gewend is geraakt aan de begeleiders, het systeem en de accommodaties en hij daar vrienden en kennissen heeft. Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat de individuele begeleiding door [naam zorgaanbieder 2] geen passende bijdrage levert aan zijn zelfredzaamheid of participatie, omdat hij zich daar niet thuis voelt.
4.2.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is het aan het college, redelijkerwijs rekening houdend met de voorkeur van de cliënt, om te besluiten op welke wijze wordt voorzien in een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie. Maar dit ‘rekening houden’ gaat niet zo ver dat de voorkeur van een cliënt bepalend is voor de keuze van de aanbieder met wie het college een overeenkomst sluit. Bepalend is of de verstrekte maatwerkvoorziening passend is.
4.3.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verstrekte maatwerkvoorziening niet passend is. Zoals ter zitting is toegelicht, is appellant tevreden over de individuele begeleiding die door [naam zorgaanbieder 2] wordt geleverd. De begeleiding is altijd aanwezig en de voor appellant en zijn ouders van belang zijnde verslagen van de begeleiding worden altijd gemaakt. Daarnaast mag appellant nog op de locaties van [ naam zorgaanbieder 1] komen en contact hebben met de cliënten die daar wonen, hetgeen voor hem belangrijk is. Dat appellant zich nog niet thuis voelt bij [naam zorgaanbieder 2] , maakt niet dat de verstrekte maatwerkvoorziening niet passend is.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en krijgt hij evenmin het betaalde griffierecht terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders als voorzitter en K.M.P. Jacobs en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2025.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) M. Dafir
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.5, derde lid
Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
Zie de uitspraak van 10 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2784.