Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-08
ECLI:NL:CRVB:2025:35
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
8,222 tokens
Inleiding
23/1086 WW
Datum uitspraak: 8 januari 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2023, 22/1305 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om intrekking en terugvordering van de WW-uitkering van appellant over de periode van 6 januari 2020 tot en met 29 februari 2020 en de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 juli 2021 en de verlaging van de terugvordering over laatstgenoemde periode met 50% tot een bedrag van € 2.733,04 (bruto). Appellant heeft ten aanzien van eerstgenoemde periode bestreden dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Wat betreft de tweede periode heeft appellant aangevoerd dat zijn inkomen fluctueerde, zodat hij niet redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij te veel WW-uitkering ontving en dat er dringende redenen zijn om geheel van terugvordering af te zien. De Raad volgt appellant niet in deze standpunten.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.Y. van Oel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft partijen in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 over het toetsingskader bij herzienings- en/of terugvorderingsbesluiten de Raad te informeren of de uitspraak volgens hen gevolgen heeft voor deze zaak.
Het Uwv heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft niet gereageerd.
De Raad heeft de zaak samen met zaak 23/1074 WW behandeld op een zitting van 2 oktober 2024. Voor appellant is mr. Van Oel verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek. Na de behandeling ter zitting is in zaak 23/1074 WW afzonderlijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Appellant was werkzaam als [naam functie] bij [naam werkgever] (werkgever) op basis van een zogenoemd piek-dal contract. Dit betekent in het geval van appellant dat hij gedurende een jaar 46 weken salaris voor de in die periode gewerkte uren krijgt en 6 weken geen werkzaamheden verricht en geen loon krijgt. Appellant heeft zich op 31 oktober 2019 ziekgemeld bij zijn werkgever.
1.2.
Appellant heeft op 31 december 2019 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd per 6 januari 2020. Bij besluit van 9 januari 2020 heeft het Uwv appellant met ingang van 6 januari 2020 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Appellant had daarnaast inkomsten bij zijn werkgever. Bij besluit van 17 juli 2020 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant per 1 maart 2020 beëindigd, omdat zijn inkomsten hoger waren dan 87,5% van zijn maandloon.
1.3.
Bij brief van 27 september 2020 heeft het Uwv aan appellant gemeld dat zijn werkgever hem bij het Uwv ziek heeft gemeld vanaf 31oktober 2019, dat appellant dus bijna een jaar ziek is en dat hij van zijn werkgever een uitnodiging krijgt voor een eerstejaarsevaluatie.
1.4.
Appellant heeft op 4 januari 2021 een WW-uitkering aangevraagd per 10 januari 2021. Bij besluit van 11 januari 2021 heeft het Uwv appellant met ingang van 10 januari 2021 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Appellant had daarnaast nog inkomsten bij zijn werkgever. Bij brief van 2 maart 2021 heeft het Uwv aan appellant gemeld dat zijn werkgever heeft doorgegeven dat aan appellant in januari 2021 minder loon is uitbetaald omdat hij ziek was. Het Uwv heeft daarom de hoogte van de WW-uitkering opnieuw vastgesteld.
1.5.
Bij besluit van 10 augustus 2021 (besluit 1) heeft het Uwv het toekenningsbesluit van 9 januari 2020 ingetrokken en geweigerd appellant per 6 januari 2020 in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering. Volgens het Uwv is gebleken dat appellant op 6 januari 2020 arbeidsongeschikt was in de zin van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 11 augustus 2021 (besluit 2) heeft het Uwv de over de periode van 6 januari 2020 tot en met 29 februari 2020 ten onrechte ontvangen WW-uitkering ter hoogte van € 2.607,83 (bruto) van appellant teruggevorderd. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden omdat hij niet aan het Uwv heeft gemeld dat hij arbeidsongeschikt was in de zin van de ZW.
1.6.
Bij besluit van 10 augustus 2021 (besluit 3) heeft het Uwv het toekenningsbesluit van 11 januari 2021 ingetrokken en geweigerd appellant per 10 januari 2021 in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering. Volgens het Uwv is uit nieuwe informatie gebleken dat appellant op 10 januari 2021 arbeidsongeschikt was in de zin van de ZW. Bij besluit van
11 augustus 2021 (besluit 4) heeft het Uwv de over de periode van 10 januari 2021 tot en met 31 juli 2021 ten onrechte ontvangen WW-uitkering ter hoogte van € 7.921,71 (bruto) van appellant teruggevorderd. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden omdat hij niet aan het Uwv heeft gemeld dat hij arbeidsongeschikt was in de zin van de ZW.
1.7.
Bij besluit van 1 oktober 2022 (besluit 5) heeft het Uwv het totale door appellant terug te betalen bedrag aan ten onrechte ontvangen WW-uitkering vastgesteld op € 9.187,56 (netto).
1.8.
Appellant heeft tegen de besluiten 1 tot en met 5 bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 1 februari 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De bezwaren tegen de besluiten 3 en 4 zijn gegrond verklaard en de periode waarover de WW-uitkering wordt herzien en teruggevorderd is bekort. Het Uwv stelt zich, gezien de omstandigheid dat het Uwv vanaf 27 september 2020 ervan op de hoogte kon zijn dat appellant ziek was, niet langer op het standpunt dat appellant over de periode in 2021 de inlichtingenplicht heeft geschonden. Omdat appellant vanaf 1 maart 2021 aanzienlijk meer loon ontving dan daarvoor, kon hij echter redelijkerwijs weten dat hij te veel WW-uitkering ontving en wordt de WW-uitkering van appellant met terugwerkende kracht vanaf die datum herzien en de over de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 juli 2021 te veel ontvangen WW-uitkering ter hoogte van € 5.466,08 (bruto) teruggevorderd. Omdat het terug te vorderen bedrag is gewijzigd, is ook het bezwaar tegen besluit 5 gegrond verklaard, voor zover het de hoogte van de totale terugvordering betreft. De terugvordering bedraagt in totaal een bedrag van € 8.073,91 (bruto).
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 1 in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.1.
Aan de intrekking en de terugvordering van de WW-uitkering over de periode van
6 januari 2020 tot en met 29 februari 2020 heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet aan hem te melden dat hij ziek was. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat appellant vóór en gedurende de periode van 6 januari 2020 tot en met 29 februari 2020 niet uit eigen beweging aan het Uwv heeft gemeld dat hij ziek was, terwijl hij wel op deze verplichting gewezen was. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden. Anders dan appellant meent, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het Besluit werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodrager ZW (het Besluit) niet dat de werkgever gehouden was de ziekmelding van appellant aan het Uwv door te geven. De rechtbank is van oordeel dat verder niet is gebleken dat het Uwv op andere wijze bekend was met de ziekmelding. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW was het Uwv daarom in beginsel gehouden de WW-uitkering van appellant in te trekken. Op grond van het bepaalde in artikel 36, eerste lid, van de WW is het Uwv in dat geval in beginsel gehouden om het onverschuldigd betaalde bedrag aan WW-uitkering van appellant terug te vorderen.
2.2.
Appellant heeft niet bestreden dat hij gedurende de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 juli 2021 naast zijn nagenoeg volledige inkomen uit arbeid een, in vergelijking met de maanden januari 2021 en februari 2021, ongewijzigde WW-uitkering heeft ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op grond daarvan terecht geconcludeerd dat het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat hij over deze periode een te hoog bedrag aan WW-uitkering heeft ontvangen. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, in samenhang gelezen met artikel 3, derde lid, van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (de Beleidsregels) heeft het Uwv daarom over die periode de WW-uitkering van appellant op goede gronden ingetrokken en op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW het onverschuldigd betaalde bedrag aan WW-uitkering van appellant teruggevorderd.
2.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor appellant als gevolg van de terugvordering optreden. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden.
Beoordeling
4.1.
Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar onderdeel 10.1 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Met het bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd. Daarom komt de aangevallen uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking, moet het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond worden verklaard en zal bestreden besluit 1 worden vernietigd. Met bestreden besluit 2 wordt niet geheel tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant. De Raad zal dit besluit, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrekken.
4.3.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het Uwv is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het Uwv of trage besluitvorming. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij teveel aan uitkering ontving.
4.4.
Beoordeling
4.4.1.
Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van intrekking en/of terugvordering over de periode van 6 januari 2020 tot en met 29 februari 2020 had moeten afzien.
4.5.
Wat betreft de periode 1 maart 2021 tot en met 31 juli 2021, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het appellant, gelet op de hoogte van de bedragen aan inkomsten en WW-uitkering in deze maanden, redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij naast zijn inkomen uit arbeid te veel WW-uitkering ontving. De stelling van appellant dat zijn inkomen fluctueerde en dat hij niet steeds keek naar het saldo op zijn bankrekening en daardoor niet heeft kunnen begrijpen dat hij te veel WW-uitkering ontving, wordt verworpen. Dat appellant niet met enige regelmaat zijn banksaldo controleerde, komt voor zijn rekening en risico.
4.5.1.
Wat betreft de terugvordering is er geen aanleiding om te concluderen dat het Uwv op grond van een dringende reden geheel van de terugvordering had moeten afzien. Het Uwv heeft de relevante feiten en omstandigheden in het kader van de dringende reden gewogen en daarbij zijn aandeel in de ontstane intrekking en/of terugvordering, afgezet tegen de mate waarin appellant een verwijt kan worden gemaakt van de ontstane situatie in de belangenafweging betrokken. Gelet op de omstandigheden van dit geval heeft het Uwv met een verlaging van de terugvordering over de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 juli 2021 van 50% voldoende gewicht toegekend aan de relevante feiten en omstandigheden. Daarbij heeft het Uwv ook rekening gehouden met de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van appellant. Er is geen aanleiding om te concluderen dat die uitkomst van de belangenafweging onevenredig is. Voor zover appellant heeft gewezen op zijn medische situatie blijkt uit de overgelegde medische stukken, waaronder een
GGZ-behandelplan van 24 december 2021, niet van omstandigheden die nopen tot een verdere bijstelling van de terugvordering.
4.6.
Gelet op wat hiervoor onder 4.4 tot en met 4.5.1 is overwogen, is het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen bestreden besluit 1 moet gegrond worden verklaard en bestreden besluit 1 moet worden vernietigd. Het beroep tegen betreden besluit 2 moet ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat de terugvordering van de aan appellant over de in geding zijnde periodes onverschuldigd betaalde WW-uitkering tot een bedrag van in totaal € 5.340,87 (bruto) in stand blijft.
6. In verband met de vernietiging van bestreden besluit 1, bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.750,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 875,-) en € 1.750,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 875,-). In totaal dus € 3.500,-. Tot slot dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 februari 2022 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 september 2024 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.500,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, E.W. Akkerman en J.P. Loof, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2025.
(getekend) S. Wijna
(getekend) D. Schaap
CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1730.
Inleiding
23/1086 WW
Datum uitspraak: 8 januari 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2023, 22/1305 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om intrekking en terugvordering van de WW-uitkering van appellant over de periode van 6 januari 2020 tot en met 29 februari 2020 en de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 juli 2021 en de verlaging van de terugvordering over laatstgenoemde periode met 50% tot een bedrag van € 2.733,04 (bruto). Appellant heeft ten aanzien van eerstgenoemde periode bestreden dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Wat betreft de tweede periode heeft appellant aangevoerd dat zijn inkomen fluctueerde, zodat hij niet redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij te veel WW-uitkering ontving en dat er dringende redenen zijn om geheel van terugvordering af te zien. De Raad volgt appellant niet in deze standpunten.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.Y. van Oel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft partijen in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 over het toetsingskader bij herzienings- en/of terugvorderingsbesluiten de Raad te informeren of de uitspraak volgens hen gevolgen heeft voor deze zaak.
Het Uwv heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft niet gereageerd.
De Raad heeft de zaak samen met zaak 23/1074 WW behandeld op een zitting van 2 oktober 2024. Voor appellant is mr. Van Oel verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek. Na de behandeling ter zitting is in zaak 23/1074 WW afzonderlijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Appellant was werkzaam als [naam functie] bij [naam werkgever] (werkgever) op basis van een zogenoemd piek-dal contract. Dit betekent in het geval van appellant dat hij gedurende een jaar 46 weken salaris voor de in die periode gewerkte uren krijgt en 6 weken geen werkzaamheden verricht en geen loon krijgt. Appellant heeft zich op 31 oktober 2019 ziekgemeld bij zijn werkgever.
1.2.
Appellant heeft op 31 december 2019 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd per 6 januari 2020. Bij besluit van 9 januari 2020 heeft het Uwv appellant met ingang van 6 januari 2020 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Appellant had daarnaast inkomsten bij zijn werkgever. Bij besluit van 17 juli 2020 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant per 1 maart 2020 beëindigd, omdat zijn inkomsten hoger waren dan 87,5% van zijn maandloon.
1.3.
Bij brief van 27 september 2020 heeft het Uwv aan appellant gemeld dat zijn werkgever hem bij het Uwv ziek heeft gemeld vanaf 31oktober 2019, dat appellant dus bijna een jaar ziek is en dat hij van zijn werkgever een uitnodiging krijgt voor een eerstejaarsevaluatie.
1.4.
Appellant heeft op 4 januari 2021 een WW-uitkering aangevraagd per 10 januari 2021. Bij besluit van 11 januari 2021 heeft het Uwv appellant met ingang van 10 januari 2021 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Appellant had daarnaast nog inkomsten bij zijn werkgever. Bij brief van 2 maart 2021 heeft het Uwv aan appellant gemeld dat zijn werkgever heeft doorgegeven dat aan appellant in januari 2021 minder loon is uitbetaald omdat hij ziek was. Het Uwv heeft daarom de hoogte van de WW-uitkering opnieuw vastgesteld.
1.5.
Bij besluit van 10 augustus 2021 (besluit 1) heeft het Uwv het toekenningsbesluit van 9 januari 2020 ingetrokken en geweigerd appellant per 6 januari 2020 in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering. Volgens het Uwv is gebleken dat appellant op 6 januari 2020 arbeidsongeschikt was in de zin van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 11 augustus 2021 (besluit 2) heeft het Uwv de over de periode van 6 januari 2020 tot en met 29 februari 2020 ten onrechte ontvangen WW-uitkering ter hoogte van € 2.607,83 (bruto) van appellant teruggevorderd. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden omdat hij niet aan het Uwv heeft gemeld dat hij arbeidsongeschikt was in de zin van de ZW.
1.6.
Bij besluit van 10 augustus 2021 (besluit 3) heeft het Uwv het toekenningsbesluit van 11 januari 2021 ingetrokken en geweigerd appellant per 10 januari 2021 in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering. Volgens het Uwv is uit nieuwe informatie gebleken dat appellant op 10 januari 2021 arbeidsongeschikt was in de zin van de ZW. Bij besluit van
11 augustus 2021 (besluit 4) heeft het Uwv de over de periode van 10 januari 2021 tot en met 31 juli 2021 ten onrechte ontvangen WW-uitkering ter hoogte van € 7.921,71 (bruto) van appellant teruggevorderd. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden omdat hij niet aan het Uwv heeft gemeld dat hij arbeidsongeschikt was in de zin van de ZW.
1.7.
Bij besluit van 1 oktober 2022 (besluit 5) heeft het Uwv het totale door appellant terug te betalen bedrag aan ten onrechte ontvangen WW-uitkering vastgesteld op € 9.187,56 (netto).
1.8.
Appellant heeft tegen de besluiten 1 tot en met 5 bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 1 februari 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De bezwaren tegen de besluiten 3 en 4 zijn gegrond verklaard en de periode waarover de WW-uitkering wordt herzien en teruggevorderd is bekort. Het Uwv stelt zich, gezien de omstandigheid dat het Uwv vanaf 27 september 2020 ervan op de hoogte kon zijn dat appellant ziek was, niet langer op het standpunt dat appellant over de periode in 2021 de inlichtingenplicht heeft geschonden. Omdat appellant vanaf 1 maart 2021 aanzienlijk meer loon ontving dan daarvoor, kon hij echter redelijkerwijs weten dat hij te veel WW-uitkering ontving en wordt de WW-uitkering van appellant met terugwerkende kracht vanaf die datum herzien en de over de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 juli 2021 te veel ontvangen WW-uitkering ter hoogte van € 5.466,08 (bruto) teruggevorderd. Omdat het terug te vorderen bedrag is gewijzigd, is ook het bezwaar tegen besluit 5 gegrond verklaard, voor zover het de hoogte van de totale terugvordering betreft. De terugvordering bedraagt in totaal een bedrag van € 8.073,91 (bruto).
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 1 in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.1.
Aan de intrekking en de terugvordering van de WW-uitkering over de periode van
6 januari 2020 tot en met 29 februari 2020 heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet aan hem te melden dat hij ziek was. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat appellant vóór en gedurende de periode van 6 januari 2020 tot en met 29 februari 2020 niet uit eigen beweging aan het Uwv heeft gemeld dat hij ziek was, terwijl hij wel op deze verplichting gewezen was. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden. Anders dan appellant meent, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het Besluit werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodrager ZW (het Besluit) niet dat de werkgever gehouden was de ziekmelding van appellant aan het Uwv door te geven. De rechtbank is van oordeel dat verder niet is gebleken dat het Uwv op andere wijze bekend was met de ziekmelding. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW was het Uwv daarom in beginsel gehouden de WW-uitkering van appellant in te trekken. Op grond van het bepaalde in artikel 36, eerste lid, van de WW is het Uwv in dat geval in beginsel gehouden om het onverschuldigd betaalde bedrag aan WW-uitkering van appellant terug te vorderen.
2.2.
Appellant heeft niet bestreden dat hij gedurende de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 juli 2021 naast zijn nagenoeg volledige inkomen uit arbeid een, in vergelijking met de maanden januari 2021 en februari 2021, ongewijzigde WW-uitkering heeft ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op grond daarvan terecht geconcludeerd dat het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat hij over deze periode een te hoog bedrag aan WW-uitkering heeft ontvangen. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, in samenhang gelezen met artikel 3, derde lid, van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (de Beleidsregels) heeft het Uwv daarom over die periode de WW-uitkering van appellant op goede gronden ingetrokken en op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW het onverschuldigd betaalde bedrag aan WW-uitkering van appellant teruggevorderd.
2.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor appellant als gevolg van de terugvordering optreden. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden.
Beoordeling
4.1.
Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar onderdeel 10.1 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Met het bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd. Daarom komt de aangevallen uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking, moet het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond worden verklaard en zal bestreden besluit 1 worden vernietigd. Met bestreden besluit 2 wordt niet geheel tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant. De Raad zal dit besluit, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrekken.
4.3.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het Uwv is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het Uwv of trage besluitvorming. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij teveel aan uitkering ontving.
4.4.
Beoordeling
4.4.1.
Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van intrekking en/of terugvordering over de periode van 6 januari 2020 tot en met 29 februari 2020 had moeten afzien.
4.5.
Wat betreft de periode 1 maart 2021 tot en met 31 juli 2021, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het appellant, gelet op de hoogte van de bedragen aan inkomsten en WW-uitkering in deze maanden, redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij naast zijn inkomen uit arbeid te veel WW-uitkering ontving. De stelling van appellant dat zijn inkomen fluctueerde en dat hij niet steeds keek naar het saldo op zijn bankrekening en daardoor niet heeft kunnen begrijpen dat hij te veel WW-uitkering ontving, wordt verworpen. Dat appellant niet met enige regelmaat zijn banksaldo controleerde, komt voor zijn rekening en risico.
4.5.1.
Wat betreft de terugvordering is er geen aanleiding om te concluderen dat het Uwv op grond van een dringende reden geheel van de terugvordering had moeten afzien. Het Uwv heeft de relevante feiten en omstandigheden in het kader van de dringende reden gewogen en daarbij zijn aandeel in de ontstane intrekking en/of terugvordering, afgezet tegen de mate waarin appellant een verwijt kan worden gemaakt van de ontstane situatie in de belangenafweging betrokken. Gelet op de omstandigheden van dit geval heeft het Uwv met een verlaging van de terugvordering over de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 juli 2021 van 50% voldoende gewicht toegekend aan de relevante feiten en omstandigheden. Daarbij heeft het Uwv ook rekening gehouden met de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van appellant. Er is geen aanleiding om te concluderen dat die uitkomst van de belangenafweging onevenredig is. Voor zover appellant heeft gewezen op zijn medische situatie blijkt uit de overgelegde medische stukken, waaronder een
GGZ-behandelplan van 24 december 2021, niet van omstandigheden die nopen tot een verdere bijstelling van de terugvordering.
4.6.
Gelet op wat hiervoor onder 4.4 tot en met 4.5.1 is overwogen, is het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen bestreden besluit 1 moet gegrond worden verklaard en bestreden besluit 1 moet worden vernietigd. Het beroep tegen betreden besluit 2 moet ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat de terugvordering van de aan appellant over de in geding zijnde periodes onverschuldigd betaalde WW-uitkering tot een bedrag van in totaal € 5.340,87 (bruto) in stand blijft.
6. In verband met de vernietiging van bestreden besluit 1, bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.750,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 875,-) en € 1.750,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 875,-). In totaal dus € 3.500,-. Tot slot dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 februari 2022 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 september 2024 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.500,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, E.W. Akkerman en J.P. Loof, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2025.
(getekend) S. Wijna
(getekend) D. Schaap
CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1730.