Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-02-27
ECLI:NL:CRVB:2025:344
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,110 tokens
Inleiding
23/2242 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 juli 2023, 22/486 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te Spanje (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 27 februari 2025
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken aan de Raad toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2023. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
De besluiten van de Svb
1.1.
Bij besluit van 13 januari 2017 heeft de Svb aan appellant met ingang van 14 mei 2017 een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend van 44% van het maximale AOWpensioen voor een gehuwde. De korting van 56% op het AOW-pensioen is gebaseerd op een periode van afgerond 28 jaar waarin appellant niet verzekerd is geacht voor de AOW. Het gaat daarbij om de niet verzekerde periode van 14 mei 1967 tot en met 10 oktober 1968 en de periode van 13 november 1972 tot en met 6 april 2000. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij brief van 8 augustus 2021 heeft appellant aan de Svb laten weten dat hij meent recht te hebben op een hoger AOW-pensioen. De Svb heeft deze brief aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van 13 januari 2017.
1.3.
Bij besluit van 13 augustus 2021 heeft de Svb het verzoek om herziening afgewezen. Bij het bestreden besluit van 21 januari 2022 heeft de Svb het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Volgens de Svb kan de informatie die appellant heeft toegestuurd niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of omstandigheden. Evenmin wordt de evidente onjuistheid van het besluit aangetoond. Niet is gebleken dat het AOW-pensioen bij het besluit van 13 januari 2017 onjuist is vastgesteld.
1.4
De Raad heeft in deze zaak op 20 november 2023 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 30 november 2023 aan partijen verzonden.
1.5
Appellant heeft tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De griffier van de Hoge Raad heeft verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft appellant geen enkel verifieerbaar bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat de Svb ten onrechte van de gegevens uit Duitsland is uitgegaan.
De gronden in hoger beroep
3. Appellant bestrijdt niet dat hij in de tijdvakken waarin hij niet verzekerd is geacht voor de AOW wel verzekerd is geacht in Duitsland. Appellant heeft met name veel klachten geuit ten aanzien van zijn arbeidsongeschiktheidsbeoordeling door het Uwv in de jaren 2002 en daarna. Verder vindt appellant zijn ouderdomspensioenen veel te laag om van te leven. Hij wenst daarom ook een toeslag voor zijn echtgenote te ontvangen.
Beoordeling
4.1.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit berust. De rechtbank heeft in haar uitspraak uitgebreid uitgelegd waarom de in het verleden door het Uwv genomen beoordelingen en beslissingen in dit geding niet aan de orde kunnen komen. Appellant heeft verder geen argumenten naar voren gebracht waaruit zou moeten worden afgeleid dat de tijdvakken van verzekering voor de AOW onjuist zijn vastgesteld. De periode waarin appellant arbeidsongeschikt was, is als verzekerde periode meegenomen in het AOWpensioen. In de tijdvakken waarin appellant niet voor de AOW verzekerd is geacht, was hij in Duitsland verzekerd. De hoogte van het AOW-pensioen hangt niet af van de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de inkomsten uit arbeid die appellant heeft ontvangen voordat hij recht kreeg op een AOW-pensioen. Zoals ook ter zitting met appellant is besproken, bestaat alleen recht op een partnertoeslag voor personen die voor 1 januari 2015 gehuwd waren én recht hadden op een AOW-pensioen. Appellant kreeg pas in 2017 recht op een AOW-pensioen, zodat hij op een dergelijke toeslag geen recht heeft.
Conclusie
4.2.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Appellant krijgt daarom het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan op 27 februari 2025 door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) C.K. Teunissen
Deze schriftelijke uitspraak is een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.
De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage
Algemene Ouderdomswet
ECLI:NL:CRVB:2023:2261.
Inleiding
23/2242 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 juli 2023, 22/486 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te Spanje (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 27 februari 2025
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken aan de Raad toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2023. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
De besluiten van de Svb
1.1.
Bij besluit van 13 januari 2017 heeft de Svb aan appellant met ingang van 14 mei 2017 een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend van 44% van het maximale AOWpensioen voor een gehuwde. De korting van 56% op het AOW-pensioen is gebaseerd op een periode van afgerond 28 jaar waarin appellant niet verzekerd is geacht voor de AOW. Het gaat daarbij om de niet verzekerde periode van 14 mei 1967 tot en met 10 oktober 1968 en de periode van 13 november 1972 tot en met 6 april 2000. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij brief van 8 augustus 2021 heeft appellant aan de Svb laten weten dat hij meent recht te hebben op een hoger AOW-pensioen. De Svb heeft deze brief aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van 13 januari 2017.
1.3.
Bij besluit van 13 augustus 2021 heeft de Svb het verzoek om herziening afgewezen. Bij het bestreden besluit van 21 januari 2022 heeft de Svb het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Volgens de Svb kan de informatie die appellant heeft toegestuurd niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of omstandigheden. Evenmin wordt de evidente onjuistheid van het besluit aangetoond. Niet is gebleken dat het AOW-pensioen bij het besluit van 13 januari 2017 onjuist is vastgesteld.
1.4
De Raad heeft in deze zaak op 20 november 2023 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 30 november 2023 aan partijen verzonden.
1.5
Appellant heeft tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De griffier van de Hoge Raad heeft verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft appellant geen enkel verifieerbaar bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat de Svb ten onrechte van de gegevens uit Duitsland is uitgegaan.
De gronden in hoger beroep
3. Appellant bestrijdt niet dat hij in de tijdvakken waarin hij niet verzekerd is geacht voor de AOW wel verzekerd is geacht in Duitsland. Appellant heeft met name veel klachten geuit ten aanzien van zijn arbeidsongeschiktheidsbeoordeling door het Uwv in de jaren 2002 en daarna. Verder vindt appellant zijn ouderdomspensioenen veel te laag om van te leven. Hij wenst daarom ook een toeslag voor zijn echtgenote te ontvangen.
Beoordeling
4.1.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit berust. De rechtbank heeft in haar uitspraak uitgebreid uitgelegd waarom de in het verleden door het Uwv genomen beoordelingen en beslissingen in dit geding niet aan de orde kunnen komen. Appellant heeft verder geen argumenten naar voren gebracht waaruit zou moeten worden afgeleid dat de tijdvakken van verzekering voor de AOW onjuist zijn vastgesteld. De periode waarin appellant arbeidsongeschikt was, is als verzekerde periode meegenomen in het AOWpensioen. In de tijdvakken waarin appellant niet voor de AOW verzekerd is geacht, was hij in Duitsland verzekerd. De hoogte van het AOW-pensioen hangt niet af van de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de inkomsten uit arbeid die appellant heeft ontvangen voordat hij recht kreeg op een AOW-pensioen. Zoals ook ter zitting met appellant is besproken, bestaat alleen recht op een partnertoeslag voor personen die voor 1 januari 2015 gehuwd waren én recht hadden op een AOW-pensioen. Appellant kreeg pas in 2017 recht op een AOW-pensioen, zodat hij op een dergelijke toeslag geen recht heeft.
Conclusie
4.2.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Appellant krijgt daarom het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan op 27 februari 2025 door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) C.K. Teunissen
Deze schriftelijke uitspraak is een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.
De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage
Algemene Ouderdomswet
ECLI:NL:CRVB:2023:2261.