Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-02-20
ECLI:NL:CRVB:2025:286
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling
2,042 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 20 februari 2025
21/2437 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2021, 20/3545 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. I. Amghar, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 januari 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Shabaan, kantoorgenoot van mr. Amghar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.
Het onderzoek ter zitting is heropend om het Uwv in de gelegenheid te stellen te reageren op door appellant in hoger beroep ingediende nadere stukken.
Het Uwv heeft bij brief van 23 maart 2023 op de ingediende stukken gereageerd en het ingenomen standpunt gehandhaafd.
Gemachtigde van appellant heeft nadere stukken ingediend.
Bij brief van 25 augustus 2023 heeft gemachtigde van appellant een besluit van het Uwv over toekenning van een WIA-uitkering overgelegd.
Desgevraagd heeft gemachtigde bij brief van 26 september 2023 bevestigd dat appellant geen financieel belang meer heeft bij voortzetting van de procedure en het hoger beroep intrekt.Gelijktijdig heeft appellant aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.
Het Uwv heeft geen verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven en is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.
Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Aan het verzoek om een proceskostenveroordeling in deze procedure over de aanspraak op ziekengeld per 26 november 2019 heeft appellant ten grondslag gelegd dat het Uwv bij besluit van 17 augustus 2023 aan appellant een WIA-uitkering heeft toegekend met ingang van 28 juni 2023. Omdat appellant als gevolg van de toekenning van de WIA-uitkering vanaf 26 november 2019 tot 27 juni 2023 doorlopend een uitkering heeft ontvangen naar 70% van het dagloon, heeft hij geen financieel belang meer bij een uitspraak in de onderhavige procedure over de aanspraak op ziekengeld.
De Raad ziet geen grond om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Hiertoe wordt overwogen dat op grond van artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb alleen een proceskostenveroordeling kan worden uitgesproken indien sprake is van een geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen van het Uwv aan het beroep van appellant. Hiervan is in dit geval geen sprake, aangezien het bestreden besluit over de aanspraak op ziekengeld ongewijzigd is gebleven. Er is dus geen ruimte om in verband met de latere toekenning van een WIA-uitkering een proceskostenveroordeling toe te kennen. Het verzoek van appellant om proceskostenveroordeling dient daarom te worden afgewezen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2025.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) S. Pouw
Inleiding
Datum uitspraak: 20 februari 2025
21/2437 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2021, 20/3545 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. I. Amghar, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 januari 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Shabaan, kantoorgenoot van mr. Amghar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.
Het onderzoek ter zitting is heropend om het Uwv in de gelegenheid te stellen te reageren op door appellant in hoger beroep ingediende nadere stukken.
Het Uwv heeft bij brief van 23 maart 2023 op de ingediende stukken gereageerd en het ingenomen standpunt gehandhaafd.
Gemachtigde van appellant heeft nadere stukken ingediend.
Bij brief van 25 augustus 2023 heeft gemachtigde van appellant een besluit van het Uwv over toekenning van een WIA-uitkering overgelegd.
Desgevraagd heeft gemachtigde bij brief van 26 september 2023 bevestigd dat appellant geen financieel belang meer heeft bij voortzetting van de procedure en het hoger beroep intrekt.Gelijktijdig heeft appellant aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.
Het Uwv heeft geen verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven en is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.
Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Aan het verzoek om een proceskostenveroordeling in deze procedure over de aanspraak op ziekengeld per 26 november 2019 heeft appellant ten grondslag gelegd dat het Uwv bij besluit van 17 augustus 2023 aan appellant een WIA-uitkering heeft toegekend met ingang van 28 juni 2023. Omdat appellant als gevolg van de toekenning van de WIA-uitkering vanaf 26 november 2019 tot 27 juni 2023 doorlopend een uitkering heeft ontvangen naar 70% van het dagloon, heeft hij geen financieel belang meer bij een uitspraak in de onderhavige procedure over de aanspraak op ziekengeld.
De Raad ziet geen grond om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Hiertoe wordt overwogen dat op grond van artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb alleen een proceskostenveroordeling kan worden uitgesproken indien sprake is van een geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen van het Uwv aan het beroep van appellant. Hiervan is in dit geval geen sprake, aangezien het bestreden besluit over de aanspraak op ziekengeld ongewijzigd is gebleven. Er is dus geen ruimte om in verband met de latere toekenning van een WIA-uitkering een proceskostenveroordeling toe te kennen. Het verzoek van appellant om proceskostenveroordeling dient daarom te worden afgewezen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2025.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) S. Pouw