Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-02-19
ECLI:NL:CRVB:2025:271
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling
1,422 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 19 februari 2025
23/1661 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2023, 22/5013
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. G.J. Mulder, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Bij brief van 18 juli 2024 heeft de gemachtigde van appellante het hoger beroep ingetrokken omdat het college appellante inmiddels in aanmerking heeft gebracht voor een begeleid wonen traject. De Raad is verzocht het college met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) te veroordelen in de proceskosten.
Met een e-mailbericht van 8 augustus 2024 heeft het college dit verzoek ondersteund en laten weten geen bezwaar te hebben tegen de gevraagde proceskostenveroordeling.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Gelet op de onder de rubriek procesverloop weergegeven feiten wordt het college veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden ingevolge het Besluit begroot op € 1.294,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting), € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift).
Ook moet het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.015,-;
bepaalt dat het college het door appellante in beroep betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt;
bepaalt dat het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van€136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, voorzitter, in tegenwoordigheid vanA.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2025.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen
Inleiding
Datum uitspraak: 19 februari 2025
23/1661 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2023, 22/5013
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. G.J. Mulder, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Bij brief van 18 juli 2024 heeft de gemachtigde van appellante het hoger beroep ingetrokken omdat het college appellante inmiddels in aanmerking heeft gebracht voor een begeleid wonen traject. De Raad is verzocht het college met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) te veroordelen in de proceskosten.
Met een e-mailbericht van 8 augustus 2024 heeft het college dit verzoek ondersteund en laten weten geen bezwaar te hebben tegen de gevraagde proceskostenveroordeling.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Gelet op de onder de rubriek procesverloop weergegeven feiten wordt het college veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden ingevolge het Besluit begroot op € 1.294,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting), € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift).
Ook moet het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.015,-;
bepaalt dat het college het door appellante in beroep betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt;
bepaalt dat het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van€136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, voorzitter, in tegenwoordigheid vanA.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2025.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen