Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-31
ECLI:NL:CRVB:2025:268
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,750 tokens
Inleiding
23/2617 WLZ-PV
Datum uitspraak: 31 januari 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2023, 20/1620 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De erven van [betrokkene] , betrokkene, gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)
CZ zorgkantoor (zorgkantoor)
Zitting hebben: D. Hardonk-Prins, als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno, als leden van de meervoudige kamer
Griffier: S.S. Blok
Namens appellanten is mr. M.I. Bal, advocaat, verschenen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Hassel.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Overwegingen
1.1.
Het zorgkantoor heeft aan betrokkene op 14 december 2017 voor het jaar 2018 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 49.553,-. Betrokkene is op [datum] 2019 overleden.
1.2.
Bij besluit van 8 juni 2020 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het besluit van 19 februari 2020 over de lagere vaststelling van het pgb van betrokkene over het jaar 2018 gehandhaafd en een bedrag van € 26.792,- teruggevorderd, omdat voor de uit het pgb voor ingekochte zorg te betalen vergoeding niet het maximale tarief per uur van toepassing is, maar het informele tarief.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.
Beoordeling
4.1.
Ter zitting is van de zijde van appellanten naar voren gebracht dat uitsluitend in geschil is of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat Stichting Robero geen onderneming is als bedoeld in artikel 5.22, tweede lid, onder a, van de Regeling langdurige zorg en daarmee niet is uitgezonderd van de verlaagde vergoeding van € 20,- per uur. Appellanten hebben in hoger beroep over deze grond herhaald wat daarover in beroep naar voren is gebracht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgrond en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overweging dat uit de inschrijving in het handelsregister van Robero niet blijkt dat de activiteiten van Robero betrekking hebben op het verlenen van zorg als bedoeld in artikel 3.3.3 van de Wet langdurige zorg (Wlz). De stelling ter zitting dat uit het handelsregister blijkt dat door organisaties vaker omschrijvingen worden gebruikt zonder expliciete vermelding dat het om Wlz-zorg gaat, leidt alleen al niet tot een ander oordeel omdat deze stelling niet is onderbouwd.
4.2.
Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit over de lagere vaststelling van het pgb voor het jaar 2018 en de terugvordering in stand blijft.
5. Appellanten krijgen geen vergoeding voor hun proceskosten, omdat het hoger beroep niet slaagt. Zij krijgen ook het betaalde griffierecht niet terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) S.S. Blok (getekend) D. Hardonk-Prins
Inleiding
23/2617 WLZ-PV
Datum uitspraak: 31 januari 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2023, 20/1620 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De erven van [betrokkene] , betrokkene, gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)
CZ zorgkantoor (zorgkantoor)
Zitting hebben: D. Hardonk-Prins, als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno, als leden van de meervoudige kamer
Griffier: S.S. Blok
Namens appellanten is mr. M.I. Bal, advocaat, verschenen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Hassel.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Overwegingen
1.1.
Het zorgkantoor heeft aan betrokkene op 14 december 2017 voor het jaar 2018 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 49.553,-. Betrokkene is op [datum] 2019 overleden.
1.2.
Bij besluit van 8 juni 2020 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het besluit van 19 februari 2020 over de lagere vaststelling van het pgb van betrokkene over het jaar 2018 gehandhaafd en een bedrag van € 26.792,- teruggevorderd, omdat voor de uit het pgb voor ingekochte zorg te betalen vergoeding niet het maximale tarief per uur van toepassing is, maar het informele tarief.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.
Beoordeling
4.1.
Ter zitting is van de zijde van appellanten naar voren gebracht dat uitsluitend in geschil is of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat Stichting Robero geen onderneming is als bedoeld in artikel 5.22, tweede lid, onder a, van de Regeling langdurige zorg en daarmee niet is uitgezonderd van de verlaagde vergoeding van € 20,- per uur. Appellanten hebben in hoger beroep over deze grond herhaald wat daarover in beroep naar voren is gebracht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgrond en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overweging dat uit de inschrijving in het handelsregister van Robero niet blijkt dat de activiteiten van Robero betrekking hebben op het verlenen van zorg als bedoeld in artikel 3.3.3 van de Wet langdurige zorg (Wlz). De stelling ter zitting dat uit het handelsregister blijkt dat door organisaties vaker omschrijvingen worden gebruikt zonder expliciete vermelding dat het om Wlz-zorg gaat, leidt alleen al niet tot een ander oordeel omdat deze stelling niet is onderbouwd.
4.2.
Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit over de lagere vaststelling van het pgb voor het jaar 2018 en de terugvordering in stand blijft.
5. Appellanten krijgen geen vergoeding voor hun proceskosten, omdat het hoger beroep niet slaagt. Zij krijgen ook het betaalde griffierecht niet terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) S.S. Blok (getekend) D. Hardonk-Prins