Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-30
ECLI:NL:CRVB:2025:217
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,016 tokens
Inleiding
23/1899 WLZ
Datum uitspraak: 30 januari 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 juni 2023, 20/136 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
SAMENVATTING
Aan betrokkene is op grond van de Wlz meerdere jaren een pgb verleend. In deze zaak gaat het om de vraag of het zorgkantoor kon overgaan tot de intrekking, (lagere) vaststelling en terugvordering van het pgb van betrokkene. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend, onder verwijzing naar zijn recente rechtspraak in soortgelijke zaken.
Procesverloop
Namens het zorgkantoor heeft mr. H.J. Arnold, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 december 2024. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene, geboren in 1990, heeft onder meer een verstandelijke beperking en is geïndiceerd voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz). Het zorgkantoor heeft aan betrokkene voor de realisering van deze zorg een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor de jaren 2015 tot en met 2018. Uit dit pgb zijn betalingen gedaan aan [naam B.V.] . ( [naam B.V.] ).
1.2.
Met besluiten van 9 augustus 2016 en 20 mei 2017 heeft het zorgkantoor het pgb voor 2015 en 2016 vastgesteld op de som van de bedragen die de Sociale verzekeringsbank aan pgb heeft uitbetaald.
1.3.
In 2018 is strafrechtelijk onderzoek gedaan naar mogelijke pgb-fraude bij [naam B.V.] , inhoudende dat [naam B.V.] meer zorg heeft gedeclareerd dan zij aan haar cliënten heeft geleverd. Enkele verdachten zijn hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. Het zorgkantoor heeft ook eigen onderzoek gedaan naar de besteding van pgb-gelden bij [naam B.V.] , onder meer door betrokkene.
1.4.
Met een besluit van 19 juli 2018 heeft het zorgkantoor de verlening, en voor zover aanwezig, de vaststelling van het pgb ingetrokken met ingang van 1 januari 2015. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.5.
Met een besluit van 4 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 19 juli 2018 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het zorgkantoor heeft het verleende pgb ingetrokken per 1 april 2018 en het pgb voor het jaar 2017 en de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 lager vastgesteld dan het bij de verlening bepaalde bedrag. De intrekking van de vaststelling voor de jaren 2015 en 2016 heeft het zorgkantoor niet gehandhaafd. Het zorgkantoor heeft over de jaren 2017 en 2018 een bedrag van € 47.370,- van betrokkene teruggevorderd wegens onverschuldigd betaald pgb. Aan het bestreden besluit is onder meer ten grondslag gelegd dat betrokkene zich niet gehouden heeft aan de bij het pgb behorende verplichtingen en tot nakoming daarvan ook met behulp van zijn familie niet in staat is gebleken. Niet aannemelijk is dat betrokkene alle zorg van [naam B.V.] heeft ontvangen die is gedeclareerd en uit het pgb is betaald.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het primaire besluit van 19 juli 2018 herroepen. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het zorgkantoor was bevoegd het pgb in te trekken en lager vast te stellen, maar de uitoefening van die bevoegdheid leidt hier tot een voor betrokkene onevenredige uitkomst. Daarbij overweegt de rechtbank dat, anders dan uit rechtspraak van de Raad volgt, de bescherming van kwetsbare budgethouders te goeder trouw, zoals betrokkene, moet worden geplaatst in het kader van de lagere vaststelling en de terugvordering van pgb. Doordat de intrekking/lagere vaststelling geen stand houdt, kan ook de terugvordering niet in stand blijven.
Het standpunt van het zorgkantoor
3. Het zorgkantoor heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het zorgkantoor heeft onder meer aangevoerd dat de aangevallen uitspraak in strijd is met de rechtspraak van de Raad.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd en het besluit van 19 juli 2018 heeft herroepen aan de hand van wat het zorgkantoor in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4.1.
De vraag die voorligt is of de bescherming van de budgethouder te goeder trouw moet plaatsvinden in het kader van de intrekking, vaststelling en terugvordering van het pgb, of in het kader van de invordering van onverschuldigd betaald pgb. Deze vraag heeft de Raad al beantwoord in zijn uitspraken van 23 november 2022 en 15 november 2023. De Raad heeft in die uitspraken geoordeeld dat de bescherming van de budgethouders te goeder trouw in beginsel plaatsvindt bij de invordering van onverschuldigd gedane betalingen bij de civiele rechter. Dit heeft tot gevolg dat de (mate van) verwijtbaarheid in een procedure bij de bestuursrechter over de intrekking en (lagere) vaststelling geen rol speelt. Wat partijen verder hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Betrokkene is, net als in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van 23 november 2022 en 15 november 2023, niet zelfstandig tot nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen in staat en heeft alleen omdat hij hierbij zou worden geholpen door derden (zijn familieleden) recht op een pgb.
4.2.
Gelet op wat in 4.1 is geoordeeld, heeft het zorgkantoor in het bestreden besluit terecht de goede trouw van betrokkene niet in de belangenafweging bij de intrekking, lagere vaststelling en de terugvordering van het pgb betrokken.
4.3.
Verder is niet gebleken dat de door het zorgkantoor verrichte belangenafweging tot een onevenredige uitkomst leidt voor betrokkene. Het zorgkantoor heeft het pgb van betrokkene dan ook mogen intrekken en lager mogen vaststellen zoals in het bestreden besluit is gedaan. Hieruit volgt dat het zorgkantoor een bedrag van € 47.370,- onverschuldigd aan pgb heeft betaald. Het zorgkantoor was dan ook bevoegd tot terugvordering van dit bedrag. Wat betrokkene in beroep heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het zorgkantoor van die bevoegdheid geen gebruik mocht maken. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is.
Conclusie
4.4.
De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, voor zover aangevochten. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2025.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) C.C.M. van ’t Hol
ECLI:NL:CRVB:2022:2460 en ECLI:NL:CRVB:2023:2195.
Inleiding
23/1899 WLZ
Datum uitspraak: 30 januari 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 juni 2023, 20/136 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
SAMENVATTING
Aan betrokkene is op grond van de Wlz meerdere jaren een pgb verleend. In deze zaak gaat het om de vraag of het zorgkantoor kon overgaan tot de intrekking, (lagere) vaststelling en terugvordering van het pgb van betrokkene. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend, onder verwijzing naar zijn recente rechtspraak in soortgelijke zaken.
Procesverloop
Namens het zorgkantoor heeft mr. H.J. Arnold, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 december 2024. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene, geboren in 1990, heeft onder meer een verstandelijke beperking en is geïndiceerd voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz). Het zorgkantoor heeft aan betrokkene voor de realisering van deze zorg een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor de jaren 2015 tot en met 2018. Uit dit pgb zijn betalingen gedaan aan [naam B.V.] . ( [naam B.V.] ).
1.2.
Met besluiten van 9 augustus 2016 en 20 mei 2017 heeft het zorgkantoor het pgb voor 2015 en 2016 vastgesteld op de som van de bedragen die de Sociale verzekeringsbank aan pgb heeft uitbetaald.
1.3.
In 2018 is strafrechtelijk onderzoek gedaan naar mogelijke pgb-fraude bij [naam B.V.] , inhoudende dat [naam B.V.] meer zorg heeft gedeclareerd dan zij aan haar cliënten heeft geleverd. Enkele verdachten zijn hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. Het zorgkantoor heeft ook eigen onderzoek gedaan naar de besteding van pgb-gelden bij [naam B.V.] , onder meer door betrokkene.
1.4.
Met een besluit van 19 juli 2018 heeft het zorgkantoor de verlening, en voor zover aanwezig, de vaststelling van het pgb ingetrokken met ingang van 1 januari 2015. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.5.
Met een besluit van 4 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 19 juli 2018 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het zorgkantoor heeft het verleende pgb ingetrokken per 1 april 2018 en het pgb voor het jaar 2017 en de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 lager vastgesteld dan het bij de verlening bepaalde bedrag. De intrekking van de vaststelling voor de jaren 2015 en 2016 heeft het zorgkantoor niet gehandhaafd. Het zorgkantoor heeft over de jaren 2017 en 2018 een bedrag van € 47.370,- van betrokkene teruggevorderd wegens onverschuldigd betaald pgb. Aan het bestreden besluit is onder meer ten grondslag gelegd dat betrokkene zich niet gehouden heeft aan de bij het pgb behorende verplichtingen en tot nakoming daarvan ook met behulp van zijn familie niet in staat is gebleken. Niet aannemelijk is dat betrokkene alle zorg van [naam B.V.] heeft ontvangen die is gedeclareerd en uit het pgb is betaald.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het primaire besluit van 19 juli 2018 herroepen. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het zorgkantoor was bevoegd het pgb in te trekken en lager vast te stellen, maar de uitoefening van die bevoegdheid leidt hier tot een voor betrokkene onevenredige uitkomst. Daarbij overweegt de rechtbank dat, anders dan uit rechtspraak van de Raad volgt, de bescherming van kwetsbare budgethouders te goeder trouw, zoals betrokkene, moet worden geplaatst in het kader van de lagere vaststelling en de terugvordering van pgb. Doordat de intrekking/lagere vaststelling geen stand houdt, kan ook de terugvordering niet in stand blijven.
Het standpunt van het zorgkantoor
3. Het zorgkantoor heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het zorgkantoor heeft onder meer aangevoerd dat de aangevallen uitspraak in strijd is met de rechtspraak van de Raad.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd en het besluit van 19 juli 2018 heeft herroepen aan de hand van wat het zorgkantoor in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4.1.
De vraag die voorligt is of de bescherming van de budgethouder te goeder trouw moet plaatsvinden in het kader van de intrekking, vaststelling en terugvordering van het pgb, of in het kader van de invordering van onverschuldigd betaald pgb. Deze vraag heeft de Raad al beantwoord in zijn uitspraken van 23 november 2022 en 15 november 2023. De Raad heeft in die uitspraken geoordeeld dat de bescherming van de budgethouders te goeder trouw in beginsel plaatsvindt bij de invordering van onverschuldigd gedane betalingen bij de civiele rechter. Dit heeft tot gevolg dat de (mate van) verwijtbaarheid in een procedure bij de bestuursrechter over de intrekking en (lagere) vaststelling geen rol speelt. Wat partijen verder hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Betrokkene is, net als in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van 23 november 2022 en 15 november 2023, niet zelfstandig tot nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen in staat en heeft alleen omdat hij hierbij zou worden geholpen door derden (zijn familieleden) recht op een pgb.
4.2.
Gelet op wat in 4.1 is geoordeeld, heeft het zorgkantoor in het bestreden besluit terecht de goede trouw van betrokkene niet in de belangenafweging bij de intrekking, lagere vaststelling en de terugvordering van het pgb betrokken.
4.3.
Verder is niet gebleken dat de door het zorgkantoor verrichte belangenafweging tot een onevenredige uitkomst leidt voor betrokkene. Het zorgkantoor heeft het pgb van betrokkene dan ook mogen intrekken en lager mogen vaststellen zoals in het bestreden besluit is gedaan. Hieruit volgt dat het zorgkantoor een bedrag van € 47.370,- onverschuldigd aan pgb heeft betaald. Het zorgkantoor was dan ook bevoegd tot terugvordering van dit bedrag. Wat betrokkene in beroep heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het zorgkantoor van die bevoegdheid geen gebruik mocht maken. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is.
Conclusie
4.4.
De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, voor zover aangevochten. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2025.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) C.C.M. van ’t Hol
ECLI:NL:CRVB:2022:2460 en ECLI:NL:CRVB:2023:2195.