Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2025-06-25
ECLI:NL:CRVB:2025:1688
24/1432 WAJONG-G Datum uitspraak: 25 juni 2025 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 mei 2024, 21/1645 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellante is van mening dat zij aan de voorwaarden voor een uitkering voldoet. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft het Uwv gevraagd een nadere beoordeling te verrichten. Het Uwv heeft deze beoordeling uitgevoerd. De Raad heeft de zaak, gevoegd met de zaak 24/1430 WAO, behandeld op een zitting van 28 mei 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen. Daarna zijn de zaken weer gesplitst en wordt in elke zaak afzonderlijk uitspraak gedaan. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1967, heeft het een door het Uwv op 15 juni 2020 ontvangen formulier een zogeheten laattijdige aanvraag om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Een arts van het Uwv heeft aannemelijk geacht dat appellante in verband met de op latere leeftijd gediagnosticeerde ADHD op de leeftijd van zeventien en achttien jaar enige beperkingen in structureren en concentreren had ten opzichte van normaal functioneren en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 augustus 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 8 oktober 2020 geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt was. 1.2. Bij besluit van 9 juni 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) op de aanvraag van toepassing is. Gelet op artikelen 5 en 6 van de AAW is de medische situatie van appellante op haar zeventiende en achttiende verjaardag van belang. De beroepsgrond dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat er geen spreekuurcontact met een verzekeringsarts is geweest, heeft de rechtbank verworpen. Een fysiek en psychisch onderzoek door een verzekeringsarts zou geen toegevoegde waarde hebben gehad, omdat het gaat om een zeer laattijdige aanvraag. De uitkomst van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek in mei 2021 zegt dan niets over de medische situatie van appellante in de te beoordelen periode. De rechtbank heeft in navolging van de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat behalve een FML van 16 oktober 2006, die ten grondslag lag aan een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), alleen medische gegevens bekend zijn vanaf 2014. Op basis van deze gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aannemelijk gevonden dat appellante vanaf 2014 duidelijke beperkingen had en deze situatie zich dus pas op latere leeftijd is ontstaan. Op gron Het gaat om de medische situatie van appellante in een periode in een ver verleden waarbij een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft. Medische beoordeling op zeventiende en achttiende jaar 4.4. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen over de FML van 11 augustus 2020 worden onderschreven. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De stelling van appellante dat zij op de leeftijd van zeventien en achttien jaar ([geboortedatum] 1984 en [geboortedatum] 1985) meer beperkingen had dan het Uwv in de FML van 11 augustus 2020 heeft aangenomen, is niet met medische stukken onderbouwd. 4.5. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het besluit heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende onderbouwd dat − gelet op de aard van de functies − mag worden aangenomen dat die functies ook in 1985 op de arbeidsmarkt en in het toen geldende functiebestand voorkwamen. Daarbij is van belang dat bij een beoordeling die ziet op een allang verstreken datum, de functieduiding problematisch kan zijn. In geval van een zeer late aanvraag, ligt het in de risicosfeer van de aanvrager dat exacte gegevens over functies in een ver verleden niet meer traceerbaar zijn. De beroepsgrond dat het Uwv ten onrechte geen beschrijving heeft gegeven van de functies zoals deze destijds bestonden, slaagt dan ook niet. Het beroep op de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid 4.6. De beroepsgrond, dat het Uwv en de rechtbank ten onrechte hebben nagelaten een oordeel te geven over het beroep van appellante op een regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid, slaagt. Appellante heeft in bezwaar en beroep expliciet aangegeven dat haar aanvraag ook daarop betrekking heeft. Het Uwv heeft deze beoordeling op verzoek van de Raad in hoger beroep alsnog verricht. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het in het rapport van 19 mei 2025 ingenomen standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat in de periode van [geboortedatum] 1985 tot [geboortedatum] 1990 niet gebleken is van een toename van de psychische beperkingen bij appellante. Dat aan appellante in 1988 een WAO-uitkering is toegekend, leidt niet tot een ander oordeel. Medische stukken op grond waarvan kan worden vastgesteld welke medische klachten en beperkingen aan deze toekenning ten grondslag lagen, ontbreken. Daarbij komt dat appellante heeft verklaard dat deze toekenning mede verband hield met een tijdens haar eerste zwangerschap ontwikkelde chronische hik. Deskundige 4.7. Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat er geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige. Conclusie en gevolgen 5.1. Omdat het Uwv wat betreft het beroep op de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid pas in hoger beroep een toereikende onderbouwing van het bestreden besluit heeft gegeven is sprake van een motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als dit gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met verbetering van gronden moet worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft en dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. 5.2. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907,-) en € 1.814,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting