Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-11-12
ECLI:NL:CRVB:2025:1647
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,032 tokens
Inleiding
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 januari 2025, 23/8057 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 12 november 2025
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 juni 2022 heeft vastgesteld op 70,50%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 oktober 2025. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.H. Jansen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als specialistisch begeleider voor gemiddeld 33,78 uur per week. Op 10 juni 2020 heeft zij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten, waarna zij in aanmerking is gekomen voor een uitkering op grond van de Ziektewet. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 2 maart 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 71,84%. Het Uwv heeft bij besluit van 19 april 2023 aan appellante met ingang van 8 juni 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
Bij besluit van 24 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien het maatmaninkomen van appellante te corrigeren. Naar aanleiding hiervan heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 70,50%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat het afleggen van een huisbezoek, omdat appellante niet in staat was te reizen, niet noodzakelijk was. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle beschikbare medische informatie voldoende gemotiveerd betrokken bij de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op een inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden de medische belastbaarheid van appellante op 8 juni 2022 gemotiveerd. Volgens de rechtbank heeft appellante geen geobjectiveerde medische gegevens overgelegd waardoor er twijfel ontstaat aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende uitgelegd waarom de geduide functies geschikt zijn voor appellante.
2.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht heeft aangegeven dat de gedragslijn van het Uwv, inzake arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen van 60-plussers, inhoudt dat de aanvraag om een WIA-uitkering in beginsel alleen wordt beoordeeld door een arbeidsdeskundige. Op het moment dat appellante om een WIA-uitkering vroeg, was de gedragslijn van het Uwv nog niet van toepassing. Om deze reden is volgens de rechtbank geen sprake van strijd met gelijkheidsbeginsel.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij stelt zich op het standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar ten onrechte niet heeft gezien en onderzocht op een spreekuur. Appellante beroept zich daarbij op het vertrouwensbeginsel. Verder meent appellante dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij wijst daarbij op de doorverwijzing naar de poli revalidatie. Eveneens blijkt volgens haar uit het dagverhaal dat zij regelmatig moet rusten. Verder stelt appellante dat het Uwv de 60-plus regeling ten onrechte niet heeft toegepast en dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 70,50% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Appellante heeft kort voor de zitting nog een werkplan van het Uwv van 18 juli 2025 overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat in het geval van appellante gezien de vooral fysieke klachten en beperkte energie in combinatie met haar leeftijd (65 jaar), het niet zinvol is om in te zetten op reintegratie. Nog daargelaten dat het stuk te laat is ingediend, ziet de Raad in deze informatie geen aanleiding voor een ander oordeel over de zorgvuldigheid van het onderzoek van het Uwv en de juistheid van het bestreden besluit nu het werkplan is opgesteld in het kader van de re‑integratie en geen medisch inhoudelijke informatie bevat.
Conclusie
5.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025
(getekend) S. Wijna
(getekend) H.A. Baars
Inleiding
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 januari 2025, 23/8057 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 12 november 2025
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 juni 2022 heeft vastgesteld op 70,50%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 oktober 2025. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.H. Jansen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als specialistisch begeleider voor gemiddeld 33,78 uur per week. Op 10 juni 2020 heeft zij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten, waarna zij in aanmerking is gekomen voor een uitkering op grond van de Ziektewet. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 2 maart 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 71,84%. Het Uwv heeft bij besluit van 19 april 2023 aan appellante met ingang van 8 juni 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
Bij besluit van 24 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien het maatmaninkomen van appellante te corrigeren. Naar aanleiding hiervan heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 70,50%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat het afleggen van een huisbezoek, omdat appellante niet in staat was te reizen, niet noodzakelijk was. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle beschikbare medische informatie voldoende gemotiveerd betrokken bij de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op een inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden de medische belastbaarheid van appellante op 8 juni 2022 gemotiveerd. Volgens de rechtbank heeft appellante geen geobjectiveerde medische gegevens overgelegd waardoor er twijfel ontstaat aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende uitgelegd waarom de geduide functies geschikt zijn voor appellante.
2.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht heeft aangegeven dat de gedragslijn van het Uwv, inzake arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen van 60-plussers, inhoudt dat de aanvraag om een WIA-uitkering in beginsel alleen wordt beoordeeld door een arbeidsdeskundige. Op het moment dat appellante om een WIA-uitkering vroeg, was de gedragslijn van het Uwv nog niet van toepassing. Om deze reden is volgens de rechtbank geen sprake van strijd met gelijkheidsbeginsel.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij stelt zich op het standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar ten onrechte niet heeft gezien en onderzocht op een spreekuur. Appellante beroept zich daarbij op het vertrouwensbeginsel. Verder meent appellante dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij wijst daarbij op de doorverwijzing naar de poli revalidatie. Eveneens blijkt volgens haar uit het dagverhaal dat zij regelmatig moet rusten. Verder stelt appellante dat het Uwv de 60-plus regeling ten onrechte niet heeft toegepast en dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 70,50% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Appellante heeft kort voor de zitting nog een werkplan van het Uwv van 18 juli 2025 overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat in het geval van appellante gezien de vooral fysieke klachten en beperkte energie in combinatie met haar leeftijd (65 jaar), het niet zinvol is om in te zetten op reintegratie. Nog daargelaten dat het stuk te laat is ingediend, ziet de Raad in deze informatie geen aanleiding voor een ander oordeel over de zorgvuldigheid van het onderzoek van het Uwv en de juistheid van het bestreden besluit nu het werkplan is opgesteld in het kader van de re‑integratie en geen medisch inhoudelijke informatie bevat.
Conclusie
5.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025
(getekend) S. Wijna
(getekend) H.A. Baars