Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-10-01
ECLI:NL:CRVB:2025:1445
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,093 tokens
Inleiding
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2023, 22/2922 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 oktober 2025
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellant per 2 februari 2021 terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant vindt dat hij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering aan appellant heeft toegekend.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. G.H. Amstelveen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amstelveen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.
Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft verzekeringsarts L. GrevelingFockens benoemd als deskundige. Deze deskundige heeft op 27 maart 2024 een rapport uitgebracht.
Partijen hebben een zienswijze op het rapport van de deskundige ingediend. Op 31 december 2024 heeft de deskundige op deze zienswijzen gereageerd. Namens appellant is hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak opnieuw behandeld op een zitting van 27 augustus 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amstelveen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Puister.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als monteur voor 39,77 uur per week. Op 5 februari 2019 heeft hij zich ziekgemeld met klachten van de rechter, dominante arm. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) bij het Uwv had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 februari 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 24 februari 2021 geweigerd appellant met ingang van 2 februari 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 23 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van schade vanwege het overschrijden van de redelijke termijn toegewezen en beslist over toekenning van proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd op welke punten appellant beperkt is te achten en op welke punten niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft genoegzaam toegelicht dat in de linkerhand- en arm een goede kracht is geobjectiveerd en dat in de rechterarm eveneens sprake is van een normale kracht. De kracht in de rechterhand is weliswaar enigszins verminderd, maar niet sterk verminderd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat er bij appellant geen sprake is van een aandoening die kan verklaren dat hij de duim, wijsvinger en middelvinger rechts niet volledig zou kunnen bewegen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij het lichamelijk onderzoek tijdens de bezwaarprocedure ook geconstateerd dat deze vingers volledig beweeglijk zijn en appellant tot deze handgrepen in staat is. Met de standsafwijking van de handbotjes onder de pink- en ringvinger is de beweeglijkheid van deze vingers beperkt. Hiermee is rekening gehouden door de cilindergreep en bolgreep beperkt te achten, net zoals bij het bedienen van toetsenbord en muis voor zover het de ringvinger en pink betreft. Voor wat betreft de fijn motorische hand- en vingerbewegingen en de gestelde beperkingen aan de duim, wijsvinger en middelvinger heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 8 maart 2022 genoegzaam toegelicht dat de specialist uitsluitend verminderde gevoelszin in de ringvinger en middelvinger heeft vastgesteld, wat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep passend is bij de eerder vastgestelde ulnaropathie sulcus rechts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat er bij appellant geen sprake is van een schouderaandoening. Daarnaast is tijdens het medisch onderzoek geobjectiveerd dat appellant in staat is beide armen boven schouderhoogte te heffen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door appellant in beroep overgelegde medische stukken over de ontwikkeling van zijn gezondheidssituatie, waaronder de op 9 maart 2023 en 25 april 2023 overgelegde stukken, ook bij zijn oordeel betrokken. Deze informatie dateert echter van ruim na de datum in geding en zegt niets over de beperkingen van appellant op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat er, uitgaande van de verzekeringsgeneeskundige standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid, geen medische indicatie is om een beperking ten aanzien van de duurbelastbaarheid aan te nemen bij passende arbeid, rekening houdend met de beperkingen. Appellant heeft in beroep geen medische gegevens verstrekt die aanknopingspunten bieden voor twijfel aan dat standpunt. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een onafhankelijk deskundige in te schakelen. De door appellant aangevoerde beroepsgronden die zien op de functies zijn gebaseerd op bezwaren tegen de bevindingen in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Er is geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft in hoger beroep herhaald zich minder belastbaar te achten dan in de FML is vastgelegd. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft appellant in hoger beroep een rapport van 27 maart 2024 van verzekeringsarts M.J. Gerritze ingebracht. Gerritze is tot de conclusie gekomen dat de belastbaarheid van appellant op datum in geding beduidend meer beperkt moet zijn geweest dan door het Uwv is aangenomen, dan wel dat sprake is van toegenomen klachten en beperkingen korte tijd na datum in geding. Appellant is van mening dat er sprake is van zodanige beperkingen dat hij niet in staat geacht kan worden de geduide functies uit te oefenen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Deskundigenonderzoek
4. Gelet op het door appellant in hoger beroep overlegde rapport van verzekeringsarts Gerritze heeft de Raad aanleiding gezien om verzekeringsarts Greveling-Fockens als deskundige te raadplegen. In haar rapport van 18 november 2024 heeft Greveling-Fockens geconcludeerd dat er op 2 februari 2021 beperkingen van de rechter- en linkerhand aan de orde waren waarbij er rechts sprake was van een carpaal tunnelsyndroom, een malunion van metacarpale V en status na een operatie aan de rechter elleboog, ruim een jaar voor datum in geding. Daarnaast was er sprake van een litteken met neuroom aan de palmaire zijde van de linker wijsvinger. Tijdens het spreekuur van de deskundige heeft appellant aangegeven dat inmiddels slaapapneu is vastgesteld, ontdekt naar aanleiding van een voorgenomen operatie, met een aantal ademstops van 35 per uur, waarvoor op dat moment behandeling met een CPAP-apparaat sinds een jaar. Gezien de anamnese waaruit blijkt dat appellant tijdens zijn werk last had van in slaap vallen tijdens het autorijden in de file, waardoor hij de auto aan de kant moest zetten, is de deskundige ervan uitgegaan dat slaapapneu ook al speelde op datum in geding, hoewel hard bewijs hiervoor ontbreekt. De slaapapneu leidt tot een beperking voor beroepsmatig vervoer.
4.1.
Greveling-Fockens is op basis van de informatie van de behandelend sector tot de conclusie gekomen dat de verzekeringsarts terecht heeft vastgesteld dat op 2 februari 2021 niet langer sprake was van éénarmigheid en op goede gronden de rechterarm belastbaar heeft geacht met beperkingen, in tegenstelling tot de voorgaande beoordeling. De beperkingen die in de FML van 10 februari 2021 zijn vermeld ten aanzien van hand- en vingergebruik, zijn plausibel en aannemelijk, aangezien de flexie in dig 4 en 5 beperkt mogelijk was en extensie volledig mogelijk.
Beoordeling
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De beschikbare gegevens van de behandelaars van appellant, van de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts Gerritze, en ook de informatie van de verzekeringsartsen van het Uwv zijn kenbaar bij de beoordeling betrokken. Daarbij is van belang dat de deskundige appellant heeft gezien op een spreekuur op 31 oktober 2024, een uitgebreide anamnese heeft afgenomen en in het rapport de bevindingen daarover nauwkeurig heeft weergegeven.
5.3.
Wat appellant over het deskundigenrapport heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dat het rapport van de deskundige afwijkt van de opvatting van een andere, door de partijen geraadpleegde, deskundige is op zich niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. De deskundige, die nu juist door de Raad is ingeschakeld wegens de tegenstrijdige inzichten van eerdere experts, heeft de beschikbare medische gegevens, waaronder de opvatting van verzekeringsarts Gerritze, in haar beoordeling betrokken. Ter zitting van de Raad heeft appellant zijn standpunt dat de deskundige ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen in verband met OSAS nader toegelicht. Volgens appellant zijn er in het dossier voldoende aanwijzingen te vinden voor de vaststelling dat hij ten tijde van de datum in geding al vermoeidheidsklachten had. Naar het oordeel van de Raad heeft de deskundige echter voldoende toegelicht waarom een beperking voor beroepsmatig vervoer wel aannemelijk wordt geacht en waarom er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een zodanige mate van OSAS op de datum in geding dat een urenbeperking in verband daarmee noodzakelijk was. Dat blijkt ook niet uit het dagverhaal en de gronden.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
Het volgen van het oordeel van de deskundige betekent in dit geval dat ervan wordt uitgegaan dat de FML van 10 februari 2021 een juist beeld geeft van de beperkingen van appellant per 2 februari 2021 en zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten, mits professioneel autorijden daarin niet voorkomt. Appellant heeft het standpunt van het Uwv dat dit aspect in die functies niet voorkomt, niet betwist. De door appellant gestelde arbeidskundige gronden houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen en deze stelling treft, zoals hiervoor is overwogen, geen doel. Het Uwv heeft voldoende en inzichtelijk gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant.
Conclusie
6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevochten, bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
7. Het bestreden besluit is, gezien de aanvulling op de FML, pas in hoger beroep voorzien van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
8. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten voor verleende rechtsbijstand van appellant in beroep en hoger beroep. Uitgaande van de in het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen forfaitaire bedragen wordt het Uwv veroordeeld in de volgende door appellant gemaakte kosten van rechtsbijstand in beroep en hoger beroep. De kosten in beroep worden begroot op € 2.721,- (1 punt voor het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-). De kosten in hoger beroep op € 3.174,50 (1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, 2 punten voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-). Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van de deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. De op de facturen van Gerritze van 27 maart 2024, met een bedrag van € 847,- en van 31 december 2024 met een bedrag van € 317,63 inclusief omzetbelasting, vermelde kosten komen voor vergoeding in aanmerking. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 7.060,13.
9. Verder moet het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 7.060,13;
bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) C.M. Snellenberg