Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-08-28
ECLI:NL:CRVB:2025:1389
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,440 tokens
Inleiding
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 september 2024, 24/1359 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haarlem (college)
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
Zitting heeft: K.H. Sanders
Griffier: C.K. Teunissen
Ter zitting van 28 augustus 2025 zijn verschenen: mr. J. Sprakel, advocaat, namens appellant en mr. T.F. Baars en mr. B.E. Robbe namens het college.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant heeft zich bij brief van 11 september 2023 gewend tot het college met – onder meer – een hulpvraag in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en een aanvraag ingediend voor een tijdelijke maatwerkvoorziening voor opvang.
2. Na een rappel van gemachtigde van appellant heeft mevrouw [X], werkzaam voor het college als ketenregisseur complexe casuïstiek OGGZ, beschermd wonen en maatschappelijke opvang, bij e-mailbericht van 29 september 2023 onder meer medegedeeld dat appellant niet onder de doelgroep van de Wmo 2015 valt.
3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit e-mailbericht en hangende dit bezwaar een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij uitspraak van 24 oktober 2023 het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
4. Het college heeft bij besluit van 29 februari 2024 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het e-mailbericht van 29 september 2023 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Zij is tot het oordeel gekomen dat appellant geen procesbelang heeft. Appellant heeft een andere oplossing gevonden en wenst geen gebruik meer te maken van de maatschappelijke opvang, zodat het resultaat dat hij nastreeft met het beroep voor hem feitelijk geen betekenis meer heeft. De stelling van appellant, dat zijn procesbelang erin is gelegen dat bij het vaststellen van het onrechtmatig handelen van het college eventueel om een schadebesluit kan worden verzocht, leidt niet tot een ander oordeel. Appellant heeft niet onderbouwd dat hij schade heeft geleden en deze gestelde schade is daarmee op voorhand onaannemelijk. Ten overvloede heeft de rechtbank overwogen dat het e-mailbericht van [X] van 29 september 2023 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
6. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank eerst had moeten beoordelen of het bezwaar terecht nietontvankelijk is verklaard. Dat is volgens hem niet het geval. Er is sprake van een appellabel besluit. Het bezwaar had niet niet-ontvankelijk mogen worden verklaard. Appellant heeft verder aangevoerd dat zijn procesbelang gelegen is in het verkrijgen van een vergoeding voor de bezwaarkosten en een vergoeding voor de door hem geleden schade.
7. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant geen procesbelang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep en onderschrijft de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. De Raad voegt hieraan nog het volgende toe.
7.1.
Niet in geschil is dat gemachtigde van appellant op 30 oktober 2023 aan het college heeft medegedeeld dat appellant geen gebruik meer wenst te maken van de maatschappelijke opvang. Daarmee kan een inhoudelijk oordeel over het emailbericht van 29 september 2023 voor hem geen feitelijke betekenis meer hebben.
7.2.
De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad ook terecht overwogen dat het procesbelang niet gelegen kon zijn in het verzoek om vergoeding van de gemaakte bezwaarkosten. Anders dan appellant heeft aangevoerd doen de in deze uitspraken benoemde uitzonderingssituaties zich in zijn geval niet voor.
7.3.
Procesbelang is ten slotte ook niet gelegen in het verzoek om vergoeding van immateriële schade, omdat op voorhand onaannemelijk is dat dergelijke schade door appellant als gevolg van de besluitvorming is geleden. Appellant heeft zijn standpunt dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het e-mailbericht van 29 september 2023 niet onderbouwd. Anders dan appellant kennelijk meent kan een dergelijke onderbouwing ook zonder verklaring van een psychiater of psycholoog. Verder brengt de enkele stelling van appellant dat sprake is van schending van een fundamenteel recht niet mee dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze, als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
8. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
9. Er is geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) C.K. Teunissen (getekend) K.H. Sanders
Uitspraken van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635 en ECLI:NL:CRVB:2024:636.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2025:777.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2023:1858.