Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-16
ECLI:NL:CRVB:2025:133
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,918 tokens
Inleiding
23/649 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 februari 2023, 22/1988 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Oude Pekela (college)
Datum uitspraak: 16 januari 2025
SAMENVATTING
Deze uitspraak gaat over een besluit waarmee het college uitvoering heeft gegeven aan een schikking die appellante en het college eerder ter zitting bij de Raad hebben bereikt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, kan appellante in een nieuwe procedure aan de orde stellen of het college op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de schikking. De Raad vernietigt daarom de aangevallen uitspraak. Het beroep wordt ongegrond verklaard, omdat het besluit in overeenstemming is met de in de schikking neergelegde afspraken.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 december 2024. Voor appellante is mr. Van der Wal verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Kuijken, advocaat.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving tot 1 januari 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) voor het inkopen van huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 is het pgb beëindigd en is appellante voor huishoudelijke ondersteuning verwezen naar de algemene voorziening. Appellante was het hier niet mee eens en heeft daarom een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning aangevraagd. Hierover zijn verschillende procedures gevoerd.
1.2.
Op een zitting van de Raad van 8 september 2021 hebben partijen een schikking bereikt. Met deze schikking zijn partijen overeengekomen dat het college op grond van de Wmo 2015 aan appellante een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt in de vorm van een pgb voor de periode van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2022 voor 8,5 uur per week en ter hoogte van het tarief dat binnen de gemeente gebruikelijk is.
1.3.
Om uitvoering te geven aan de schikking heeft het college met een besluit van 1 november 2021 aan appellante een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt voor 8,5 uur per week, in de vorm van een pgb en voor de periode van 1 november 2021 tot en met 31 oktober 2022. Als uurtarief heeft het college een bedrag van € 15,53 gehanteerd.
1.4.
Met een besluit van 22 april 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2021 ongegrond verklaard.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante door het instellen van bezwaar niet in een betere positie kon komen dan waarin zij door de schikking al verkeerde, omdat appellante en het college met de schikking overeenstemming hebben bereikt. Waar partijen overeenstemming over hebben bereikt kan niet in een nieuwe procedure aan de orde worden gesteld.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, behoudens de toegekende proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht. Wat zij tegen die uitspraak heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.
4.1.
Appellante is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij door het instellen van bezwaar niet in een betere positie kon komen dan waarin zij door de schikking al verkeerde en dat het college het bezwaar daarom niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Alhoewel het oordeel van de rechtbank dat partijen met de schikking overeenstemming hebben bereikt en de gemaakte afspraken daarmee vast zijn komen te staan juist is, betekent dit niet dat appellante niet in een nieuwe procedure aan de orde kan stellen of het college op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de schikking.
4.3.
Ter zitting is gebleken dat wat betreft de wijze waarop het college uitvoering heeft gegeven aan de schikking enkel de hoogte van het uurtarief nog in geschil is. Volgens appellante is in het proces-verbaal van de schikking bewust geen bedrag opgenomen, omdat daarover nog discussie was. Het proces-verbaal van de zitting bij de Raad van 8 september 2021 wijst echter op het tegendeel. Op de vraag aan het college wat het tarief is, is door het college geantwoord ‘het tarief is 15 euro nog wat per uur’. Vervolgens heeft de gemachtigde van appellante de vraag of daarmee akkoord wordt gegaan instemmend beantwoord. Uit het proces-verbaal blijkt verder dat partijen in onderling overleg ervoor hebben gekozen om in de schikking te spreken van het ‘tarief dat binnen de gemeente gebruikelijk is’. Anders dan appellante heeft aangevoerd, is met de schikking dus overeenstemming bereikt over de hoogte van het tarief en staat het tarief daarmee vast.
4.4.
Dit betekent dat het college met het bestreden besluit op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de schikking.
Conclusie
4.5.
Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover aangevochten en het beroep ongegrond verklaren.
5. Appellante krijgt een vergoeding voor haar proceskosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.814,- (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt). Appellante krijgt ook het in hoger beroep betaalde griffierecht terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het beroep tegen het besluit van 22 april 2022 ongegrond;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.814,-;
bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2025.
(getekend) K.M.P. Jacobs
(getekend) R.R. Olde Engberink
Vergelijk de uitspraken van de Raad van 19 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:635 en van 9 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:979.