Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-08-20
ECLI:NL:CRVB:2025:1320
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,047 tokens
Inleiding
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 juni 2024, 21/3515 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 augustus 2025
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M. van der Veer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 maart 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
De Raad heeft het onderzoek geschorst. Het Uwv heeft op 9 mei 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 21 mei 2025 heeft mr. Van der Veer namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nadere zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 9 mei 2025 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.267,50 in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de ingediende zienswijze, met een waarde per punt van € 907,-) en € 1.814,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-).
Daarnaast komen de kosten voor de inschakeling van een deskundige in beroep voor vergoeding in aanmerking. Dit zijn de kosten van het uitgebrachte rapport van 7 september 2021 van medisch adviseur J.F. Ankersmit. Voor deze kosten heeft appellant een vergoeding verzocht van € 862,13 (inclusief btw). Het Uwv heeft te kennen gegeven zich te kunnen vinden in dit bedrag.
Het totaalbedrag van de te vergoeden proceskosten bedraagt € 4.943,63.
Tot slot dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ter hoogte van in totaal € 187,- te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 4.943,63;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 187,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van D. Kovac als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2025.
(getekend) W.R. van der Velde
(getekend) D. Kovac