Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-08-28
ECLI:NL:CRVB:2025:1306
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling
981 tokens
Inleiding
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2023, 21/2018 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. I. Car, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 februari 2024.
Bij de tussenuitspraak van 14 maart 2024 heeft de Raad geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv niet volledig en daarmee onvoldoende zorgvuldig is geweest. De Raad heeft het Uwv opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de tussenuitspraak.
Het Uwv heeft op 13 maart 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 13 maart 2025 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Het Uwv heeft daarbij de kosten van bezwaar, te weten de kosten van rechtsbijstand, vergoed.
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.267,50 in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de zienswijze van 23 november 2022 met een waarde van € 907,- per punt met wegingsfactor 1) en € 1.814,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van €907,- per punt met wegingsfactor 1). Totaal € 4.081,50.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.081,50;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2025.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) S. Pouw
CRvB 14 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:508.