Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-08-19
ECLI:NL:CRVB:2025:1254
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Schadevergoedingsuitspraak
1,852 tokens
Inleiding
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Den Helder (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 19 augustus 2025
SAMENVATTING
Verzoeker en het college hebben in hoger beroep een schikking bereikt over diverse besluiten over het recht op bijstand van verzoeker. Deze uitspraak gaat nog over het verzoek van verzoeker om aanvullende schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. De Raad komt tot het oordeel dat verzoeker, gelet op de schadevergoeding die al door de rechtbank is toegekend, nog recht heeft op een aanvullende schadevergoeding van € 500,-.
Procesverloop
Namens verzoeker heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld (zaaknummers 23/1304 PW en 23/1305 PW) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 maart 2023, 20/2811 en 21/5010.
Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op 6 september 2023 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen. Dit besluit is bij het hoger beroep betrokken en heeft zaaknummer 25/428 PW gekregen.
Mr. Jokhan heeft namens verzoeker verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 juli 2025. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Jokhan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.B. Holtjer en [X]. Tijdens de zitting van de Raad hebben partijen een schikking getroffen. Verzoeker heeft het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn gehandhaafd.
Overwegingen
1.1.
Nu partijen over de beëindiging, intrekking en terugvordering van de bijstand van verzoeker een schikking hebben getroffen, resteert nog het verzoek om immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
1.2.
Een rechterlijke procedure moet binnen een redelijke termijn worden afgerond. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling in bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.
1.3.
De redelijke termijn eindigt op de datum dat een schikking is bereikt, omdat aangenomen mag worden dat verzoeker vanaf die datum geen spanning en frustratie meer heeft ondervonden als gevolg van de lange duur van de procedure.
1.4.
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak.
1.5.
Procesverloop
1.6.
Het eerst ingediende bezwaarschrift is het bezwaarschrift tegen het besluit tot beëindiging en intrekking van de bijstand van verzoeker. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 19 november 2019 tot aan de datum waarop partijen een schikking hebben bereikt zijn vijf jaar en ruim acht maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van verzoeker zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met een jaar en ruim acht maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar geduurd. Er is dus sprake van overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, zodat de te betalen schadevergoeding voor rekening komt van de Staat.
1.7.
Nu de rechtbank aan verzoeker in verband met de overschrijding van de redelijke termijn al een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schadevergoeding heeft toegekend, heeft verzoeker nog recht op een aanvullende schadevergoeding van € 500,-, te betalen door de Staat.
Proceskostenveroordeling
1.8.
Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen tot de kosten die verzoeker heeft moeten maken voor het indienen van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden vastgesteld op € 453,50 (1 punt voor het verzoekschrift, met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 907,-). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding op zitting bestaat in dit geval geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en E.C.E. Marechal en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2025.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) J. Bonnema
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1254.
Zie onder meer de arresten van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, onder 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:HR:2016:252, onder 3.10.2, en de uitspraak van 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125.