Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-08-13
ECLI:NL:CRVB:2025:1204
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Schadevergoedingsuitspraak
1,192 tokens
Inleiding
23/130 WSF
Datum uitspraak: 13 augustus 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoekster] te Den Haag (verzoekster)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid (Staat)
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijn is geëindigd op het moment dat het hoger beroep is ingetrokken. De Raad kent verzoekster een schadevergoeding toe op grond van overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.
Procesverloop
Namens verzoekster heeft mr. P.S. Folsche, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 november 2022, 21/4850.
Met een brief van 28 mei 2025 heeft mr. Folsche de Raad bericht dat de minister aan de bezwaren van verzoekster is tegemoetgekomen. Daarbij heeft hij een verzoek om vergoeding van schade ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de Staat als partij aangemerkt.
Partijen hebben toestemming verleend het onderzoek ter zitting achterwege te laten.
Overwegingen
1. In dit geding is uitsluitend nog aan de orde de vraag of het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijk termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase als geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
3.1.
In het voorliggende geval is de redelijke termijn aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift van verzoekster op 28 april 2021. Bij brief van 28 mei 2025 heeft verzoekster het hoger beroep ingetrokken omdat de minister aan de bezwaren is tegemoetgekomen. Dat betekent dat de redelijke termijn is geëindigd op 28 mei 2025. Er is geen aanleiding om van de onder 2 genoemde termijn van vier jaar af te wijken, zodat de redelijke termijn is overschreden. Omdat de redelijke termijn is overschreden met minder dan zes maanden komt verzoekster in aanmerking voor een schadevergoeding van € 500,-.
3.2.
De minister heeft binnen zes maanden beslist op het bezwaar. Dit betekent dat de redelijke termijn alleen in de rechterlijke fase is overschreden. De Staat wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van schade aan verzoekster tot een bedrag van € 500,-.
4. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De proceskosten worden begroot op € 453,50 voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een wegingsfactor van 0,5).
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2025.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol
CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.