Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-08-06
ECLI:NL:CRVB:2025:1174
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,002 tokens
Inleiding
23/406 WIA
Datum uitspraak: 6 augustus 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 december 2022, 20/328 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. N. Tursucu, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tursucu. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en aanleiding gezien om een onafhankelijk deskundige te benoemen die op 17 januari 2025 rapport heeft uitgebracht.
Het Uwv heeft op 3 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Uit de brief van 29 april 2025 van mr. Tursucu blijkt dat appellant zich kan vinden in de gewijzigde beslissing van 3 april 2025. Appellant heeft vervolgens verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in bezwaar en de beroepsprocedure.
Bij brief van 12 mei 2025 heeft de Raad partijen meegedeeld dat het hoger beroep is ingetrokken en dat verzocht is om vergoeding van de proceskosten.
Het Uwv heeft zich voor wat betreft de veroordeling in de proceskosten gerefereerd aan het oordeel van de Raad.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat appellant het hoger beroep heeft ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 3 april 2025 volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen.
Omdat het Uwv bij het besluit van 16 december 2019 al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase en de rechtbank het Uwv in beroep al heeft veroordeeld in de proceskosten, moet de Raad alleen nog oordelen over de in hoger beroep gemaakte proceskosten.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten in hoger beroep worden begroot op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van een hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verzoek om inlichting, met een waarde per punt van € 907,-).
Ook dient het Uwv het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.267,50;
- bepaalt dat het Uwv het in hoger beroep door appellant betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2025.
(getekend) Y. Sneevliet
(getekend) J.A. Achterberg