Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-07-24
ECLI:NL:CRVB:2025:1142
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,192 tokens
Inleiding
24/1992 AKW
Datum uitspraak: 24 juli 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 juli 2024, 23/5278 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellante omdat zij te laat bezwaar heeft gemaakt. Volgens appellante is de termijnoverschrijding in bezwaar verschoonbaar. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M.J. Smaling hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 juli 2025. Namens appellante is verschenen mr. Smaling. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G. Starreveld.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving vanaf het eerste kwartaal van 2008 een tegemoetkoming op grond van de TOG voor haar dochter geboren op [geboortedatum] 2004, omdat haar dochter intensieve zorg nodig heeft. De TOG is per 1 januari 2015 vervangen door de dubbele kinderbijslag. Met ingang van het eerste kwartaal van 2015 is appellante dubbele kinderbijslag voor haar dochter toegekend.
1.2.
In februari 2016 heeft de Svb appellante erop gewezen dat de geldigheid van het CZadvies (indicatie) voor haar dochter bijna is verlopen en dat als appellante in aanmerking wil komen voor dubbele kinderbijslag voor haar dochter, zij een nieuwe aanvraag moet indienen. Het verlopen van de indicatie heeft de Svb ertoe gebracht om met een besluit van 28 juli 2016 aan appellante vanaf het derde kwartaal van 2016 enkele kinderbijslag in plaats van dubbele kinderbijslag voor haar dochter toe te kennen.
1.3.
Naar aanleiding van een daartoe ingediende aanvraag in augustus 2018 is met een onherroepelijk besluit van 1 september 2022 aan appellante vanaf het derde kwartaal van 2022 (weer) dubbele kinderbijslag voor haar dochter toegekend.
1.4.
Appellante heeft met een brief van 26 juni 2023 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 juli 2016. Het bezwaar is door de Svb met een besluit van 28 september 2023 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet is ingediend binnen zes weken nadat appellante van het besluit van 28 juli 2016 kennis heeft genomen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee dat besluit in stand gelaten. De rechtbank stelt vast dat de Svb ervan uitgaat dat het besluit van 28 juli 2016 – in elk geval – op 9 september 2022 op de juiste wijze bekend is gemaakt en ook bekend is geworden bij appellante. De rechtbank oordeelt dat appellante niet zo snel als redelijkerwijs van haar kon worden verlangd bezwaar heeft gemaakt. De termijnoverschrijding is daarom niet verschoonbaar. De vraag of de termijnoverschrijding aan appellante kan worden toegerekend behoeft dan ook geen bespreking, aldus de rechtbank.
Standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak niet eens. Wat zij hiertegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de Svb het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens een niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Hij doet dit aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift van appellante is ingediend na afloop van de wettelijke bezwaartermijn. Met de rechtbank wordt vastgesteld dat het besluit van 28 juli 2016 in ieder geval pas op 9 september 2022 op juiste wijze bekend is gemaakt en ook op die datum bij appellante bekend is geworden. Daarvan uitgaande is de bezwaartermijn aangevangen op 10 september 2022 en eindigde de termijn op 21 oktober 2022. Het op 26 juni 2023 gedateerde bezwaarschrift is door de Svb ontvangen op 28 juni 2023.
4.2.
Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Volgens de rechtspraak moeten bij de toepassing van dit artikel naast toegang tot de rechter, ook de rechtszekerheid, voorspelbaarheid en rechtsgelijkheid worden betrokken. Dat geldt ook voor het belang van een goed uitvoerbare bestuurspraktijk en een efficiënte rechtspleging. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.
4.3.
Voor de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding zijn twee aspecten van belang. In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding aan betrokkene kan worden toegerekend. In de tweede plaats moet worden beoordeeld of het bezwaar of (hoger)beroepschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. In gevallen waarin pas kennis wordt genomen van een op correcte wijze bekendgemaakt besluit als de bezwaar/(hoger)beroepstermijn al geheel of grotendeels is verstreken en ook niet eerder kennis kon worden genomen van het besluit wordt een termijn van zes weken gehanteerd waarbinnen het maken van bezwaar in ieder geval niet verwijtbaar te laat is. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan ook een later gemaakt bezwaar als niet verwijtbaar te laat worden aangemerkt. Daarbij wordt overwogen dat als direct al duidelijk is dat het bezwaarschrift hoe dan ook niet is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd, de toerekenbaarheid geen afzonderlijke bespreking behoeft.
4.4.
Uit 4.1 volgt dat appellante niet binnen zes weken nadat zij bekend is geworden met het besluit bezwaar heeft gemaakt. Het is de Raad niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het eerst veel later door appellante ingediende bezwaar als niet verwijtbaar kan worden aangemerkt. Appellante heeft het bezwaarschrift hoe dan ook niet ingediend zo spoedig mogelijk als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Uit de telefoonnotities van 9 en 14 september 2022 blijkt dat appellante toen al heeft aangegeven een bezwaarschrift te zullen indienen.
4.5.
Appellante heeft nog gewezen op haar eigen gezondheidsklachten en de daarbij behorende behandelingen. De Raad is van oordeel dat in dit geval niet volgehouden kan worden dat appellante vanaf medio september 2022 tot 26 juni 2023 buiten staat is geweest een bezwaarschrift in te dienen of daarbij niet de assistentie van haar echtgenoot of een hulpverlener heeft kunnen inschakelen. De medische behandelingen waar appellante van spreekt zijn bovendien eerst aangevangen eind november 2022.
4.6.
De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de Svb het bezwaar van 26 juni 2023 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Conclusie
4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor de door haar gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2025.
(getekend) H. Lagas
(getekend) C.K. Teunissen
Tegemoetkoming onderhoudskosten gehandicapte kinderen.
Zie de telefoonnotitie van 9 september 2022.
Zie onder meer de uitspraak van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:935.
Zie onder meer de uitspraak van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2177.