Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-15
ECLI:NL:CRVB:2025:103
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
1,891 tokens
Inleiding
24/284 MPW
Datum uitspraak: 15 januari 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 december 2023, 23/1648 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
SAMENVATTING
De Raad is van oordeel dat in het geval van appellant het invaliditeitspercentage per 12 juli 2021 juist is vastgesteld op 49,17% (afgerond naar 50%).
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. I.E. Mussche hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mussche. De staatssecretaris heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Souren.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving laatstelijk een militair invaliditeitspensioen berekend naar een mate van invaliditeit van 47,92% (afgerond naar 50%). Appellant ontvangt dit pensioen vanwege psychische klachten die zijn veroorzaakt door een PTSS waarvoor de staatssecretaris een oorzakelijk dienstverband met de uitoefening van de militaire dienst heeft aanvaard.
1.2.
Op 12 juli 2021 (peildatum) heeft appellant verzocht om toekenning van een hoger militair invaliditeitspensioen vanwege toegenomen klachten en beperkingen.
1.3.
Met een besluit van 21 juli 2022 heeft de staatssecretaris na een geneeskundig onderzoek de mate van invaliditeit van appellant met ingang van 12 juli 2020 nader bepaald op 49,17% (afgerond naar 50%). Het hiertegen gemaakte bezwaar is met een besluit van 18 januari 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De staatssecretaris heeft daarbij verwezen naar het advies van de bezwaarverzekeringsarts, die concludeert dat er geen aanleiding is om de beperkingen die in overwegende mate voortkomen uit de PTSS bij te stellen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat appellant heeft ondergaan zorgvuldig tot stand is gekomen. De toegekende scores bij de (sub)rubrieken zijn naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate te herleiden tot de daaraan voorafgaande beschouwingen en zijn deugdelijk onderbouwd. Het door appellant overgelegde overzicht, dat niet specifiek betrekking heeft op de peildatum en neerkomt op een door hem ingevulde beoordelingslijst, maakt niet dat de onderbouwing van de scores op de door de verzekeringsarts ingevulde beoordelingslijst tekortschiet. Het bepalen van de mate van invaliditeit aan de hand van de beoordelingslijst dient te gebeuren door een deskundig arts. De scores op de door appellant ingevulde beoordelingslijst zijn niet medisch onderbouwd, aldus de rechtbank.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij stelt dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. Gelet op zowel de lichamelijke als psychische klachten en beperkingen, die met elkaar verband houden, had er een hogere mate van invaliditeit moeten worden toegekend. De ervaren klachten en beperkingen beïnvloeden de kwaliteit van leven ernstig nadelig en maken dat hij functioneert op een lager niveau dan valide leeftijdsgenoten, aldus appellant.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de afwijzing van het verzoek om een hoger militair invaliditeitspensioen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.2.
Appellant heeft in hoger beroep geen andere argumenten ingebracht dan in beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden besproken en gemotiveerd waarom er naar haar oordeel geen reden is om te twijfelen aan het geneeskundig onderzoek en de vastgestelde scores. De Raad onderschrijft het oordeel en de overwegingen van de rechtbank en neemt die over. Appellant heeft in dit hoger beroep zijn standpunt niet onderbouwd met medische gegevens. Ook heeft hij in zijn hoger beroepschrift niet toegelicht op welke punten en om welke redenen hij van mening is dat de conclusies van de rechtbank geen stand kunnen houden. Daarmee zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de mate van invaliditeit niet op juiste wijze is vastgesteld.
4.3.
In aanvulling op 4.2 overweegt de Raad het volgende. Niet in geschil is dat er zich tijdens de dienst, meer in het bijzonder de uitzending naar Bosnië, geen lichamelijk trauma heeft voorgedaan dat zou hebben kunnen leiden tot de huidige lichamelijke klachten. Er is medisch geen aanwijsbare aandoening gevonden voor de lichamelijke klachten; deze worden daarom omschreven als psychosomatisch (SOLK). De klachten worden geacht deel uit te maken van de PTSS en worden daarom gewaardeerd bij de (sub)rubrieken aan de hand van het PTSSprotocol. Een beoordeling volgens het MUPS/LOK-protocol is dan niet aan de orde. De Raad ziet geen aanknopingspunten op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen De Meij en Bhaggoe onzorgvuldig of onvolledig is geweest of dat de verzekeringsartsen tot hogere scores van de beperkingen hadden moeten komen. De door appellant vermelde scores, nog daargelaten dat die niet door een arts zijn ingevuld of onderbouwd, stroken niet met de beschrijving van zijn functioneren in het dagelijks leven. Die scores zouden meebrengen dat bij appellant sprake is van hulpbehoevendheid of afhankelijkheid van derden in strikte zin en dat is niet het geval.
4.4.
Wat appellant in het geding heeft gebracht vanuit de herbeoordeling die tijdens dit hoger beroep (2024) plaatsvindt kan hem niet baten, omdat vooralsnog niet kan worden geconstateerd dat de gepresenteerde klachten en beperkingen in die mate ook al speelden op de in deze procedure geldende peildatum.
Conclusie
4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van een hoger militair invaliditeitspercentage dan (afgerond) 50% in stand blijft.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2025.
(getekend) H. Lagas
(getekend) C.K. Teunissen
Posttraumatische stressstoornis.
Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten.
Medical Unexplained Physical Symptons/Lichamelijk Onverklaarde chronische Klachten na uitzending.