Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-07-03
ECLI:NL:CRVB:2025:1006
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling
703 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 3 juli 2025
24/155 WSFBSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2023, 22/5681
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Bij brief van 20 februari 2025 heeft mr. R. du Crocq namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de minister te veroordelen in de door appellante gemaakte kosten.
De minister heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat de gemachtigde van appellante het hoger beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van de brief van de minister van 7 februari 2025. Gelet op nieuw beleid van DUO heeft de minister bij deze brief alsnog een aanvullende beurs aan appellante toegekend met ingang van september 2018. Hiermee is volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen.
Aangezien appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep geen kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen, oordeelt de Raad dat de minister slechts het griffierecht dient te vergoeden dat appellante in beroep(€50,-) en hoger beroep (€ 138,-) heeft betaald.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat de minister het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2025.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) A. Giesen