Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-01-08
ECLI:NL:CRVB:2025:10
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,286 tokens
Inleiding
24/673 WAJONG
Datum uitspraak: 8 januari 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2024, 23/783 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen.
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 november 2024. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1987, heeft op 22 augustus 2022 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Met een besluit van 21 september 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat appellante op haar achttiende verjaardag niet in Nederland of een land van de EU, EER of Zwitserland woonde.
1.2.
Bij besluit van 10 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. De rechtbank heeft overwogen dat uit de medische stukken niet geconcludeerd kan worden dat appellante op haar achttiende in Nederland woonde. Appellante heeft geen stukken uit 2005 ingebracht. Uit de overige stukken blijkt dat appellante tot 2004 onderwijs heeft gevolgd in Nederland. Dit doet niet af aan de uitschrijving uit de gemeentelijke Basisadministratie Personen (BPR) en het vertrek van appellante naar Ghana voor medische behandeling. De rechtbank kan uit de stukken niet opmaken dat appellante is teruggekeerd na de behandeling. Appellante heeft een kopie van haar paspoort uit 2017 overgelegd, maar een eerder reisdocument met stempels ontbreekt en de bankpas is geldig tot 2009 maar zegt niets over de in- of uitreis van appellante. Ook heeft appellante geen foto’s van haar achttiende verjaardag in Nederland. Het enige stuk dat ziet op het specifieke tijdvak waarin appellante achttien werd, is de verklaring van de voorzitter van de [stichting] van 15 augustus 2023. De rechtbank volgt het Uwv in het standpunt dat deze verklaring onvoldoende is en dat hieruit niet blijkt dat sprake is van een duurzame verbinding van appellante met Nederland op haar achttiende verjaardag na uitschrijving bij de gemeente. Deze verklaring is achttien jaar later opgemaakt, niet onderbouwd met stukken en de juistheid ervan kan niet worden geverifieerd. Deze verklaring is daarom op zichzelf onvoldoende om het ingezetenschap aan te kunnen tonen. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat het op de weg van appellante ligt om het bewijs te leveren dat zij op haar achttiende in Nederland woonde. Het is denkbaar dat bewijsstukken door het grote tijdsverloop niet meer voorhanden zijn, maar dat komt voor rekening en risico van appellante, omdat zij pas in 2022 een Wajong-uitkering heeft aangevraagd terwijl zij al in 2005 achttien is geworden.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante vindt dat zij wel in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Zij heeft foto’s van haarzelf overgelegd, waaruit zou moeten worden afgeleid dat zij op haar achttiende in Nederland was. Appellante verzoekt de Raad nogmaals naar haar zaak te kijken.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
In geschil is of appellante op haar achttiende verjaardag, [geboortedatum] 2005, als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd.
4.2.
Ingezetene in de zin van de Wajong en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon, die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt naar alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval beoordeeld. Op grond van vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.
4.3.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van de gronden die zij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante geen recht heeft op een Wajonguitkering, omdat zij op haar achttiende verjaardag niet in Nederland woonde en ook een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellante en Nederland ontbrak. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Niet in geschil is dat appellante op 10 september 2004 is uitgeschreven uit de BPR en is vertrokken naar Ghana voor alternatieve genezing. Evenmin is in geschil dat appellante op 6 februari 2006 weer in het BRP staat ingeschreven. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op haar achttiende in Nederland verbleef. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat op voorhand reeds duidelijk was dat zij slechts tijdelijk in Ghana zou verblijven. Van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland is dan ook niet gebleken. De verklaring van de [stichting] van 15 augustus 2023 en de in hoger beroep overgelegde foto’s zijn hiervoor onvoldoende.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellante op haar achttiende verjaardag niet als ingezetene kan worden aangemerkt, zodat geen recht bestaat op een Wajong-uitkering.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2025.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) C.M. Snellenberg
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 1:2 van de Wajong
1. Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon, die in Nederland woont.
[…]
Artikel 1:3 van de Wajong
1. Waar een natuurlijk persoon woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
[…]
Artikel 1a:1 van de Wajong
1. Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
[…]
Zie artikel 1:2, eerste lid, van de Wajong.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908.