Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-05-16
ECLI:NL:CRVB:2024:985
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,014 tokens
Inleiding
23/2453 AKW
Datum uitspraak: 16 mei 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juli 2023, 22/3122 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
SAMENVATTING
De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat appellant over het vierde kwartaal van 2021 geen recht heeft op kinderbijslag op grond van de AKW. Op de peildatum van dat kwartaal was appellant nog geen ingezetene van Nederland.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A. Šimičević, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 april 2024. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is op [geboortedatum 1] 1982 in Nederland geboren en heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2015 dan wel 2017 is appellant naar Marokko vertrokken. Op 12 augustus 2021 is appellant met zijn gezin teruggekomen naar Nederland. Appellant is op 12 augustus 2021 ingeschreven in de BRP. Op 16 september 2021 heeft appellant kinderbijslag op grond van de AKW aangevraagd voor [naam kind] , geboren op [geboortedatum 2] 2009.
1.2.
Met een besluit van 3 december 2021 heeft de Svb de aanvraag afgewezen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt maar de Svb is met een besluit van 21 april 2022 (bestreden besluit) bij de afwijzing gebleven. Volgens de Svb heeft appellant op 1 oktober 2021 (de peildatum) nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Daarom was hij nog geen ingezetene van Nederland en heeft hij over het vierde kwartaal van 2021 geen recht op kinderbijslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn na het vertrek van appellant uit Nederland de banden van persoonlijke aard met Nederland verbroken omdat hij vier jaar lang in het buitenland verbleef. Toen hij in augustus 2021 naar Nederland terugkeerde, herleefde zijn ingezetenschap niet onmiddellijk. Appellant kon na zijn terugkeer pas als ingezetene van Nederland worden beschouwd op het moment dat hij weer een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had opgebouwd. De rechtbank concludeert dat op de peildatum hiervan (nog) geen sprake is. De rechtbank heeft van belang geacht dat appellant op de peildatum bij zijn moeder inwoonde en nog geen eigen woonruimte had die duurzaam tot zijn beschikking stond. Verder had appellant geen werk, geen wezenlijke en objectiveerbare bindingen met anderen dan zijn familie en verbleef hij nog maar relatief kort in Nederland. Dat hij met terugwerkende kracht een bijstandsuitkering toegekend heeft gekregen en dat de kinderen hier naar school gaan is, gelet op de overige omstandigheden onvoldoende om van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland te kunnen spreken, aldus de rechtbank.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij meent dat hij wel een vast adres en woonruimte had en daarmee voldoet aan de vereisten. Dat hij geen werk heeft kan hem niet zonder meer worden tegengeworpen, temeer hij heeft aangegeven dat hij zich definitief in Nederland wil vestigen. Naar de mening van appellant zijn zowel de rechtbank als de Svb hier ten onrechte aan voorbijgegaan.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de weigering om toekenning van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2021 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Juridisch kader
4.1.
In geschil is of appellant recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2021. Daarvoor is in dit geval beslissend of appellant op de peildatum 1 oktober 2021 ingezetene was van Nederland.
4.2.
In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.
4.4.
De Raad heeft in eerdere rechtspraak geoordeeld dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie heeft zich definitief in Nederland te vestigen. Verder heeft de Raad vaker geoordeeld dat het beschikken over een duurzaam ter beschikking staande woonruimte één van de omstandigheden is die van belang zijn bij de weging of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland. Ook de duur van het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij die beoordeling.
Duurzame band van persoonlijke aard met Nederland
4.5.
De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat appellant op 1 oktober 2021 nog geen ingezetene was van Nederland. Appellant had toen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Verwezen wordt naar de uitspraak van de rechtbank waarin alle relevante omstandigheden in onderlinge samenhang zijn beschouwd. Appellant heeft in hoger beroep in feite herhaald wat hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De Raad is het met de uitspraak van de rechtbank eens en neemt de overwegingen daarvan over.
Conclusie
4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat appellant over het vierde kwartaal van 2021 geen recht heeft op kinderbijslag.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2024.
(getekend) A. van Gijzen
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag ) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.
Basisregistratie personen.
Algemene Kinderbijslagwet.
Verwezen wordt naar de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012L:BX5908.
Onder meer de uitspraak van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877.
Onder meer de uitspraak van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2182.
Inleiding
23/2453 AKW
Datum uitspraak: 16 mei 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juli 2023, 22/3122 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
SAMENVATTING
De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat appellant over het vierde kwartaal van 2021 geen recht heeft op kinderbijslag op grond van de AKW. Op de peildatum van dat kwartaal was appellant nog geen ingezetene van Nederland.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A. Šimičević, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 april 2024. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is op [geboortedatum 1] 1982 in Nederland geboren en heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2015 dan wel 2017 is appellant naar Marokko vertrokken. Op 12 augustus 2021 is appellant met zijn gezin teruggekomen naar Nederland. Appellant is op 12 augustus 2021 ingeschreven in de BRP. Op 16 september 2021 heeft appellant kinderbijslag op grond van de AKW aangevraagd voor [naam kind] , geboren op [geboortedatum 2] 2009.
1.2.
Met een besluit van 3 december 2021 heeft de Svb de aanvraag afgewezen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt maar de Svb is met een besluit van 21 april 2022 (bestreden besluit) bij de afwijzing gebleven. Volgens de Svb heeft appellant op 1 oktober 2021 (de peildatum) nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Daarom was hij nog geen ingezetene van Nederland en heeft hij over het vierde kwartaal van 2021 geen recht op kinderbijslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn na het vertrek van appellant uit Nederland de banden van persoonlijke aard met Nederland verbroken omdat hij vier jaar lang in het buitenland verbleef. Toen hij in augustus 2021 naar Nederland terugkeerde, herleefde zijn ingezetenschap niet onmiddellijk. Appellant kon na zijn terugkeer pas als ingezetene van Nederland worden beschouwd op het moment dat hij weer een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had opgebouwd. De rechtbank concludeert dat op de peildatum hiervan (nog) geen sprake is. De rechtbank heeft van belang geacht dat appellant op de peildatum bij zijn moeder inwoonde en nog geen eigen woonruimte had die duurzaam tot zijn beschikking stond. Verder had appellant geen werk, geen wezenlijke en objectiveerbare bindingen met anderen dan zijn familie en verbleef hij nog maar relatief kort in Nederland. Dat hij met terugwerkende kracht een bijstandsuitkering toegekend heeft gekregen en dat de kinderen hier naar school gaan is, gelet op de overige omstandigheden onvoldoende om van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland te kunnen spreken, aldus de rechtbank.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij meent dat hij wel een vast adres en woonruimte had en daarmee voldoet aan de vereisten. Dat hij geen werk heeft kan hem niet zonder meer worden tegengeworpen, temeer hij heeft aangegeven dat hij zich definitief in Nederland wil vestigen. Naar de mening van appellant zijn zowel de rechtbank als de Svb hier ten onrechte aan voorbijgegaan.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de weigering om toekenning van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2021 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Juridisch kader
4.1.
In geschil is of appellant recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2021. Daarvoor is in dit geval beslissend of appellant op de peildatum 1 oktober 2021 ingezetene was van Nederland.
4.2.
In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.
4.4.
De Raad heeft in eerdere rechtspraak geoordeeld dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie heeft zich definitief in Nederland te vestigen. Verder heeft de Raad vaker geoordeeld dat het beschikken over een duurzaam ter beschikking staande woonruimte één van de omstandigheden is die van belang zijn bij de weging of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland. Ook de duur van het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij die beoordeling.
Duurzame band van persoonlijke aard met Nederland
4.5.
De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat appellant op 1 oktober 2021 nog geen ingezetene was van Nederland. Appellant had toen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Verwezen wordt naar de uitspraak van de rechtbank waarin alle relevante omstandigheden in onderlinge samenhang zijn beschouwd. Appellant heeft in hoger beroep in feite herhaald wat hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De Raad is het met de uitspraak van de rechtbank eens en neemt de overwegingen daarvan over.
Conclusie
4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat appellant over het vierde kwartaal van 2021 geen recht heeft op kinderbijslag.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2024.
(getekend) A. van Gijzen
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag ) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.
Basisregistratie personen.
Algemene Kinderbijslagwet.
Verwezen wordt naar de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012L:BX5908.
Onder meer de uitspraak van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877.
Onder meer de uitspraak van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2182.