Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-05-07
ECLI:NL:CRVB:2024:921
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,856 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 7 mei 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 juli 2022, 21/3986 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.C. Puister.
De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv verzocht om nader onderzoek te doen.
Het Uwv heeft op 4 december 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 17 januari 2024 heeft mr. Willering namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht Uwv te veroordelen in de proceskosten, bestaande uit kosten voor de aan appellante verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep.
Het Uwv heeft op 14 februari 2024 medegedeeld zich te kunnen verenigen met een veroordeling in de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 4 december 2023 volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) in beroep en € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 3.500,-. Daarnaast zal het Uwv het door appellante voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht moeten vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.500,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2024.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) H. Alajai
Inleiding
Datum uitspraak: 7 mei 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 juli 2022, 21/3986 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.C. Puister.
De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv verzocht om nader onderzoek te doen.
Het Uwv heeft op 4 december 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 17 januari 2024 heeft mr. Willering namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht Uwv te veroordelen in de proceskosten, bestaande uit kosten voor de aan appellante verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep.
Het Uwv heeft op 14 februari 2024 medegedeeld zich te kunnen verenigen met een veroordeling in de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 4 december 2023 volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) in beroep en € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 3.500,-. Daarnaast zal het Uwv het door appellante voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht moeten vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.500,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2024.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) H. Alajai